woensdag 23 juni 2010

Mont. Hermonicus Hoofdstuk VIII

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 8. Er zijn drie soorten planten in de wereld, maar dit verhaal heeft geen enkele boodschap aan mensen die van planten houden.

8,314 Januari, 1411- Nabij de kust van Kingston upon Hull, Engeland

-een heel goed aanbod voor jullie heren.' Lachte de vriendelijke kapitein Kufteren. Prostaatus keek op, 'oh ja? Is dat zo beste man, nu vertel me wat voor waar u in de aanbieding heeft!' 'Geweldig spul, het zal u niet teleur stellen, ik heb een eenmalig aanbod hier van kristallen zeekomkommers!' Harrie keek ook naar de kapitein, die vreemd grijnzend aan de rand van het schip stond. 'Nu, wat en verrassing zeg,' sprak Prostaatus, 'dat is toch wel een heel frappant soort goederen, hoeveel vraagt u voor zo een komkommer*?' De kapitein glunderde aangezien zijn aas toehapte, al zijn hele leven wilde hij een verkoper worden, het was de mooiste baan die hij zich maar kon indenken. En hij sprak:

*Als het lijkt alsof er veel komkommers voorkomen in dit verhaal, dan is u dat goed opgevallen beste lezer, het is namelijk zo dat ik, de schrijver, een groot voorstander ben van komkommers, het is zogezegd mijn favoriete soort groente. Verder is het woord komkommer heel aantrekkelijk om te gebruiken vanwege de manier waarop men het op een klassieke typemachine kan aanslaan, het voelt heerlijk om die k's en m-en zo op het papier te rammen, ik zou graag nog een heel betoog houden over de heerlijke voordelen van het fantastische van een komkommer, maar enfin, er moet hier ook een verhaal vertelt worden**

**JA, hier is de uitgever, ik ben het dus helemaal zat jong! Je blijft dat verhaal maar onderbreken, kap daar nu eens mee goddomme, of ik zal u boek eens helemaal pagina voor pagina in uw strot kommen drammen. DAAR, en nu VERDER ERMEE!!!

'Het jaar dertienhonderd-en-vier-en-veertig (1344), in het mid-Engelse dorpje Onovertroffenburg wordt Gijs-Pieter Kufteren geboren als zoon van meneer van Vliet en Mevrouw Kuiskuiken-Kufteren, (meneer van vliet was de lokale postboer). Hendrik Kufteren was de beste verkoper in de wereld, hij kon aan iedereen alles verkopen, en als er alles geschreven wordt, bedoelt men alles. Hij verkocht water aan grachten gravers, bladeren aan de herfst, en golven aan het strand. Alles waarvoor iemand ook maar dom genoeg was om geld voor te geven, was wat er voorkwam in de inventaris van meneer Kufteren. Toen zijn zoon Gijs de leeftijd van zeven en een kwart bereikte wist hij wat hij wilde worden, net als zijn vader een echte verkoper. Zijn vader was trots als een muilezel, maar zijn moeder wilde er niets van weten. Zij wist immers dat Gijs' zijn genen niet van zijn geliefde vadertje maar van de lompe dikke postboer kwamen. En de lompe dikke vadsige gore postboer wist dit ook, net zoals alle andere mensen in het dorp, enkel Hendrik dacht dat zijn zoon, zijn zoon was. Op negen jarige leeftijd kreeg Gijs van zijn geweldige vader zijn eerste koffer met daarin twaalf eierschil-decoratiestickers, en de opdracht om ze allemaal te verkopen binnen een week. De jongen zwoegde en ploegde, (waar de boer heel blij mee was... het is niet alsof iemand Gijs gevraagd had om te ploegen), maar kreeg ze toch verkocht!

PAS OP, GIJS LOOG, GIJS IS EEN BEDRIEGER, WEES GEWAARSCHUWD!

Maar Gijs loog, hij had de stickers begraven op het kerkhof toen de necrofiele pastoor er met lijken in de weer was. En het geld kwam van een oud vrouwtje waaraan hij zich liet trouwen om haar vervolgens van het leven te beroven om de erfenis op te strijken. Maar dat wist vaderlief niet, en hij was oh zo trots op zijn kleine gedrocht van een smerig rot joch dat verdronken zou moeten worden in de rivier als de niet gewenste loze ploert dat ie was. Hendrik de dwaze dolblije vader was verblind door vreugde en maakte de jongen het hof. Dat ging zijn moeder te ver, iets veel te ver, iets heel erg veel te ver. Ze trok een bijl van de muur en hakte in op het lichaam van Hendrik tot het zo fijn was dat zelfs een gehaktmolen jaloers zou zijn. Gijs kon de stress niet aan en werd door de rest van de familie verbannen. Ook kwam hij erachter dat Hendrik niet zijn echte vader was geweest, en hij werd furieus. Of, nouja, hij was niet vrolijk. Hij verschool zich in de bossen achter het dorp, en creëerde daar zijn eigen geheime leger van bannelingen en zwervers die hij lokte met eten en de beloftes van dingen die zwervers willen hebben. Voornamelijk onderbroeken en baarden. Daar smeed hij zijn plannen, hij zou zijn moeders leven zo kei en kei hard vergallen dat ze nooit meer een echtgenote in mootjes zou hakken. En daar in het bos woonden ze, en ze noemden zich, de BIERZUYPERS, een stel baldadige kneuzen die nog nooit een fatsoenlijk stuk hersenen had gezien. (Gijs was een uitzondering, hij had zijn vaders hersenen gezien... en geproefd). Ze vielen de lokale bevolking lastig door dronken te zijn, bankjes en ruiten te vernielen, en voetbalwedstrijden te verstoren. En toen kwam de dag, Gijs zag zijn nu vrij oude moeder alleen rondlopen in het bos, op zoek naar paddenstoelen om te eten. Ze overvielen haar, en scheurden haar volledig aan stukken (Jaahaaa, mocht je het nog niet gemerkt hebben, dit is geen kinderboek, neeeheee!). Ze roosterden haar resten boven een vuur en gaven haar weg aan het medisch instituut van Pluiveren, een dorp iets verderop. Maar Gijs wist niet wat hij met zichzelf aan moest, en ging voor troost zijn echte vader opzoeken, de vadsige postboer Hanzi Müller. Hij had nooit geweten dat zijn vader een niet-Engelse nationaliteit had, en al helemaal niet dat hij Spaans zou zijn. Hij wilde een gesprek aanknopen, maar het eindigde in en fiasco waarin hij zijn echte vader een stuk komkommer verkocht. Het laaide weer in hem op, hij wist een ingeving aan zijn leven te geven, hij was echt een goede verkoper. Hij sloeg Hanzi dood in de vreugde en hing hem op het dorpsplein te kijk. Pakte al zijn spullen en trok erop uit. In de jaren die volgden werd hij de beste verkoper die de wereld ooit gezien had, hij verkocht geloof aan pastoors, zieltjes aan god, en levens aan de duivel. Hij kon alles verkopen. Hij verkocht het heelal voor een kapitaal aan de kerk, en het binnenste van de aarde aan een groep mijnwerkers. Hij was rijk, hij was gelukkig, hij was niet zo heel goed bezig. Iedereen voelde zich na een tijdje bedrogen door zijn verkopen en de kerk startte een ware klopjacht. Ze stuurden brieven aan elke parochie met de boodschap dat deze op vrijdag 13 januari 1401 opengemaakt moesten worden. In de brieven stond dat elke verkoper ter dood was veroordeeld. Een ware kruistocht tegen verkopers begon, en bijna allemaal werden ze gevangen genomen en gekruisigd. Maar niet Gijs, hij nam een nieuwe Identiteit aan, hij heette vanaf nu Kees Kufteren, en wist iedereen te ontkomen. Hij ontvluchte Europa naar de enige locatie waar hij veilig was, de open zee. En vanaf dat moment werd hij een zeevaarder, weer een handelaar, geld verdienen uit geld was zijn beroep, en hij verscheepte alles wat men zich maar kon indenken, zoals deze kristallen komkommers, nu maar twee florijnen!'

Harrie en Prostaatus stonden met open neus te kijken... de man had net zijn hele levens verhaal verteld, en dat was slecht nieuws voor hem, Prostaatus' parochie had die brief namelijk ook gekregen, en nog voordat Gijs besefte wat er gebeurde lag hij al met een reserve giek door zijn hart op de bodem van de zee. 'Sukkel' mompelde Prostaatus. Hij liep naar het hoge dek en sprak de bemanning toe. 'Mannen, jullie kapitein was een sukkel, en incidenteel ook een voortvluchtige, maar ik heb er alles aan gedaan om jullie veiligheid te waarborgen, ik voer nu het commando over dit schip, en we zetten zeil! Naar Rotterdam!' De bemanning was het niet helemaal eens met Prostaatus, en dus dreven hij en Harrie binnen enkele minuten op een leeg vat midden in de Noordzee. 'Dat was niet het aller slimste wat u ooit gedaan heeft meester.' gooide Harrie als olie op het vuur. 'Bek houden snotjoch of je kunt zwemmen in plaats van peddelen.' Harrie merkte dat Prostaatus niet in een allerbeste bui was en probeerde hem op te vrolijken terwijl de stroming hen richting Denemarken dreef. Zijn vuur spuw act had weinig succes, en de met rum doordrenkte ton vloog ook nog eens in brand. Harrie werd zelf ook vrij pessimistisch nadat Prostaatus hem had geprobeerd te kielhalen aan het vat.

Voor drie weken overleefden ze op het vat, ze vingen vissen uit de zee, en dronken het veelvuldige regenwater dat elke dag in bakken naar beneden kwam. En toen, uiteindelijk, land. Welk land wisten ze niet. (De lezer wel omdat ik dat per ongeluk hier boven heb vermeld... hihi). Het Bleek Denemarken te zijn (wat een verrassing). Ze waren totaal de verkeerde kant op gegaan, ze moesten naar Frankrijk, naar een klein dorpje in de buurt van La Rochelle. (oplettende lezers zullen zich dit nog herinneren, de meeste zal het geen zak interesseren). Dus eens weer begonnen ze aan een lange trektocht door een triest stuk land ergens in Europa. Ze waren in één ding wel geslaagd, dat verraderlijk stuk vreten van een Landheer zou niet weten waar ze waren. Een ander probleem was wel de boeken en het papier met de kaart naar La Rochelle nat waren geworden in het vat en alle inkt was uitgelopen. Prostaatus vond de kwaliteit van dit magisch boek maar ondermaats, meestal werden epische gebruiksvoorwerpen uit mythen en legendes van een iets hogere kwaliteit gemaakt...

VERHAAL VERPLAATSING!!!

11 Februari, 1411, Helsdieperwaard, de landheer was kwaad. En kwaadaardig, maar nu vooral kwaad in de traditionele zin van het woord. Die twee ongelooflijk irritante zoutzieders waren hem ontsnapt, en hadden weer aan wat wachten het leven gekost. Hij was zojuist terug uit Hull en had alles en iedereen dat zich onder hem bevond al uitgescholden voor wat ze werkelijk waren. In de meeste gevallen had dit betekend dat hij mensen schreeuwend een 'AARDIGE VENT' had genoemd of een 'BETROUWBAAR MEDEWERKER.' Hij zat op de troon te peinzen en keek naar de stukken dode slak die hij in zijn handen had. Hij besefte opeens dat wat hij in zijn handen had heel vies was en sprong op met een meisjesachtige gil. 'Heer!' riep Kololel die net binnen liep, we hebben vernomen dat het schip van Prostaatus in Rotterdam is aangekomen zonder enig spoor van hem of Harrie II, de bemanning had ze in een vat overboord gezet nadat Prostaatus de kapitein met een mast had doorboord.' 'Dit is nieuw Kololel' sprak de landheer, 'MAAR HET BEVALT ME NIET KOLOLEL, WAT GA JE DAAR AAN DOEN... KOLOLEL!?!'

'Niet zo heel veel denk ik mijn heer?' De landheer stond op en liep naar hem toen en fluisterde in zijn oor, 'Ik heb vies slakken spul aan mijn handen, wil je dat soms in je gezicht hebben jij, jij... Kololel?' 'Nee heer, zeker niet ik ga andere... eh... dingen doen, ja nu...' Kololel holde de hal uit, iets waar de Landheer helemaal niet blij mee was, hij hield namelijk van rechte muren. 'Haal me fruitige Frits' riep de Landheer tegen een bediende, ik wil een grootse speurtocht, zet alle wegen af rondom het gebied waarin ze kunnen zijn, plaats glazen op elke muur naast een lege hotelkamer, verken het gebied, zet honden in om de omgevingen uit te kammen, zoek, ze, blijf zoeken, jaag ze op als geschoten wild, bak ze in een pan met lekkere koteletten, ze zullen niet rusten, ze zullen niet slapen, wij zullen blijven zoeken, ik wil iedere man die beschikbaar is om af te reizen naar het vaste land, we zullen ze vinden, WHAHA, WHAHAHAHAHAHAHAHAHAHA!!!' 'Bedoelt u dat we heel noord Europa moeten afzetten mijnheer?' De landheer keek de bediende even aan. 'Hmm, nee, je hebt gelijk.. stom plan, stuur maar gewoon een briefje en aanplakbiljetten rond, dat is ook goed.' 'Zoals u wenst mijnheer!' De Landheer liep naar een muur en keek naar het voegwerk, 'waar ben je Prostaatus, geef het maar op, ik krijg je toch wel... graven van katten vernielen... je durft Prostaatus, je durft.' mompelde hij in zichzelf.

VERHAAL VERPLAATSING

11,14 Februari, 1411, Thorn, Polen 'En dan ondertekenen we nu het vredesverdrag van Thorn!' Het volk juichte in de straten van de stad, eindelijk kwam een einde aan de oorlog, en het werd verdomme ook eens tijd zeg.

VERHAAL VERPLAATSING

13,1313 Februari, 1411, Gram, Denemarken. Prostaatus klom over een heuvel en zag de stad Gram liggen. Het was een mooi voordeel dat zowel hij als Harrie Deens spraken, dat kwam nu goed van pas. Harrie sprak niet echt Deens, maar liet het zo klinken, en aangezien hij op die manier een discussie over Deense politiek had kunnen voeren met een universiteitsdocent vond Prostaatus dat hij het goed genoeg nadeed om niet op te vallen in Denemarken.

Verwacht binnenkort het zenuwslopende tweede deel van hoofdstuk 8 van Mont. Hermonicus

Geen opmerkingen: