Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.
Hoofdstuk 4. Het peilen van de hartslag van een leeuwerik met een ongewenst politieke invalshoek.
15,15 september, 1410- Helsdieperwaard, Engeland
Prostaatus opende plots zijn ogen, ‘Harrie, snel pak de sleutels, we nemen de achterdeur’ ‘Waarom’ wilde Harrie II onmiddellijk weten. ‘Snap het dan jongen, we moeten Stads Gek te pakken krijgen, we moeten aantonen dat we onschuldig zijn!’ Harrie II sprong op, ‘meteen meneer!’ hij rende zo snel mogelijk de kerk door naar het sleutelaltaar, trok het deksel open en greep de sleutels, ‘Ik heb ze!’ schreeuwde hij de kerk door. ‘Allemaal’ vroeg Prostaatus. Harrie telde de sleutels, ‘Ja, allemaal’ wierp hij boven het knarsen van de deur uit. Buiten werd het meteen stil. Prostaatus kwam naast Harrie staan en keek bedenkelijk. ‘Heeft u ze allemaal daar?’ riep een stem van buiten de deur. ‘Ja, allemaal’ riep Harrie terug, hij kon het gemompel buiten de kerk horen, kennelijk had iets dat hij gezegd had voor oproer gezorgd. ‘Ze zijn toch wel nog in leven?’ klonk een bezorgde vrouwenstem. ‘In leven, hoe bedoeld u?’ riep Prostaatus. ‘Zijn… zijn ze dood?’ werd er voorzichtig geschreeuwd. ‘Nou, dood zou ik niet willen zeggen’ riep Harrie ‘levend zijn ze in ieder geval niet.’ Er klonk verwoed geschreeuw en een paar luide snikken en kreten. Harrie II vroeg zich af waarom deze lui zo geïnteresseerd waren in sleutels. ‘Wat heb je godverdomme met ze gedaan’ klonk het toen woedend van buiten. ‘Niets, ik heb ze gewoon uit het altaar gehaald.’ ‘Uit het altaar? Jij gore achterbakse schlemiel, je hebt ze laten stikken, wacht maar tot we je te pakken krijgen! Zieke pluk ongewassen okselhaar dat je bent!’ Prostaatus keek Harrie vol onbegrip aan, ‘Harrie, we moeten niet blijven wachten tot ze binnengekomen zijn, we moeten nu gaan.’ Hij wachtte niet op antwoord, greep de sleutels uit Harrie’s hand en haastte zich door de achterdeur van de kerk. Buiten renden ze de velden achter de kerk in. Na een minuutje of tien gerend te hebben kwamen ze aan bij een heuvel aan het einde van de landerijen. Ze beklommen de heuvel en zagen in de verte de toortsen van de menigte. ‘Wat doen we nu meester?’ Prostaatus draaide zich om en keek Harrie aan, ‘we lopen nog een tijdje door, in het Helsdieperwoud staat de oude kapel van de heilige Kees, daar moeten we de nacht maar doorbrengen. Harrie knikte en stond op, hij wierp nog een laatste blik op de menigte en liep toen de heuvel af.
De kerkklokken van Helsdieperwaard klonken al vroeg die morgen, een dorpsvergadering was ingelast om te overleggen hoe de zoektocht naar Harrie en Prostaatus werd voortgezet. Men was gisternacht de kerk binnen gedrongen, maar de lichamen van de jongens werden niet gevonden. Toen bij thuiskomst bleek dat deze nog gewoon in leven waren heerste er een gevoel van opluchting in het dorp, deze werd helaas diezelfde nacht nog ruw verstoord door de vondst van boer Flabbel. Hij had namelijk het lichaam gevonden van non Wakku. En ondanks dat men zich afvroeg waarom de beste man om twee uur ’s nachts nog in zijn tuin stond te spitten, kwam dit nieuws aan als een mokerslag. Men was verontwaardigd, boos, en moe. Ondanks alles was het toch druk in de kerk. De landheer liep het bordes op en ging achter het spreekaltaar staan. ’Beste burgers, edelen en minder bedeelden *kuch* zwervers *kuch*, wij zijn hier vandaag bijeen gekomen om het recht te laten gelden, Harrie en Prostaatus zullen boeten voor deze wandaden, nu al hebben ze drie mensen vermoord en één ernstig verminkt met een theedoek. Dit moet een halt toegeroepen worden, ik verklaar hierbij zowel Harrie II Broedervisbek, als onze eigen pastoor Prostaatus vogelvrij!’ ‘Hé wacht eens even,’ riep iemand vanuit de kerk ‘daar heb jij de bevoegdheid toch hele-’ de beste man die de wetten nauwkeurig op zijn duimpje kende werd van achteren neergeslagen en weggevoerd. ‘Nog iemand die het beter denkt te weten’ riep de Landheer. De zaal schudde zijn hoofd, en nadat alle spullen weer recht waren gezet vervolgde de landheer ‘De pastoor en de jongen zullen eeuwig nagejaagd worden, nooit meer zullen zij ons dorp lastigvallen. Ga nu eenieder en zoek, zoek tot ze gevonden zijn, het recht zal zegevieren, zij zullen sterven, de gevallenen zullen herdacht worden, en ik zal koning zijn, WHAHAHA, HAHAHA!’ Er viel een stilte die zijn weerga niet kende terwijl alle ogen op de landheer gericht werden. Hij herstelde zich vlug en zei ‘ehum, ja, nu, de wacht zal zich concentreren op de wegen rondom ons dorp, ik vraag jullie de gewone burgers om jullie levens weer gewoon te hervatten. Ik wil geen paniek in dit dorp. Over paniek gesproken heeft iemand de twee zonen van boer Flabbel onlangs nog gezien?’ Die opmerking veroorzaakte veel rumoer en tandengeknars. Waar waren de zonen van boer Flabbel? waar waren Harrie II en Prostaatus? hoe kwam het dat die twee zo onopgemerkt weg hadden kunnen komen? en wat is de zin van het leven? Al die vragen spookte door de hoofden van de burgers van Helsdieperwaard terwijl er snel een zoektocht werd ingelast naar Flobbel en Flibbel. Overal in de omgeving van het dorp werd gezocht, maar die avond was er nog geen spoor van de jongens, boer Flabbel en zijn vrouw Floebel waren ten einde raad. Ze zochten overal maar de jongens werden niet gevonden. Ook de volgende dag werd er druk gezocht, maar ook ditmaal zonder resultaat. Op Maandagmorgen kwam er echter schot in de zaak toen beide jongens terugkwamen van schoolkamp. De opluchting hing als een warme deken over het dorp voor de rest van de dag. Boer Flabbel kreeg flink op z’n donder omdat hij als analfabeet het briefje op de slaapkamer deur van zijn zonen niet had gelezen, en men ging over op de orde van de dag: het zoeken van Prostaatus en Harrie II. De zoektocht werd echter gestaakt na drie weken, men was ervan overtuigd dat de twee onverlaten het dorp achter zich hadden gelaten en hun heil elders waren gaan zoeken.
Echter, op een paar teksten uit de Bijbel na was niets minder waar, Harrie II en de pastoor zaten nog steeds in de kapel van heilige Kees. Tot nu toe hadden beiden nog niets te klagen gehad, er waren wel al twee groepjes wachten in de kapel komen kijken, maar Harrie en Prostaatus hadden een geheime wijnkelder ontdekt onder het altaar. Daar hadden ze ook hun slaapvertrekken ingericht en een klein fornuis geconstrueerd. Aan eten komen bleek niet moeilijk te zijn, er was voldoende aan vruchten te vinden in het woud, en nog geen dertig meter van de kapel stroomde een beekje met heerlijk helder water. Ze hadden ook al verschillende plannetjes bekokstoofd, maar tot nu toe bleek er geen echt lekker te zijn. Harrie II kreeg opeens echter een briljante ingeving, wat nu als ze Stads Gek lokte door zichzelf voor te doen als kinderen die katten graven sloopten. Postaatus vond het een uitstekend plan, en nadat hij zich er tweemaal aan gestoten had besloten ze om de volgende avond tot uitvoering over te gaan. Op de ochtend van de dag waarop ze operatie puinzooi gingen uitvoeren hakten ze een grafsteen uit een blok marmer dat ze bij de Marmer Gigant hadden gekocht. Prostaatus was net de laatste woorden in de steen aan het beitelen toen Harrie II terugkwam met een mandje vol champignons. ‘Waar heb ge die vandaan?’ vroeg Prostaatus. ‘Uit de provisiekast van boer Flabbel, hij en zijn zonen waren de varkens aan het verven, en toen ben ik snel naar binnen geglipt.’ ‘Weet je hoe je ze moet klaarmaken Harrie?’ vroeg de pastoor. Harrie schudde zijn hoofd. ‘Nou, in de keuken staat een boek naast het fornuis, kijk daar maar eens in.’ Harrie deed wat hem gezegd werd en spoedde zich de keuken in. Die middag aten ze een verrukkelijk feestmaal, niet alleen hadden ze de gebakken champignons, ook had Prostaatus twee konijntjes in de val weten te lokken met een slagroomtaart. De konijnen lagen nu heerlijk gestoofd voor hen op tafel. Terwijl Harrie II de konijnen aansneed herhaalde Prostaatus nogmaals het plan voor die avond. ‘Nu Harrie, je weet wat je te doen staat als we ons eenmaal omgekleed hebben’ ‘Ja meneer, ik zet dan de grafsteen neer op de plaats waar die van Loodje eerst stond, daarna wachten we samen tot Stads Gek langskomt gelopen tijdens het uitlaten van zijn hond Boontje.’ Prostaatus knikte en vervolgde ‘dan roep ik “rotkatten we zouden jullie allemaal moeten afmaken,” en dan schop jij tegen het graf aan.’ ‘Juist’ zei Harrie, ‘en dan?’ ‘Hoe bedoel je en dan’ zei Prostatus, ‘er is geen “dan”, dit is het plan’ Harrie keek hem even aan en vroeg toen ‘maar wat gebeurt er dan, wordt hij dan opgepakt of zo? Ik snap het niet helemaal’ ‘Ik ook niet,’ zei Prostaatus ‘maar we zien wel hoe de rest van de avond zich ontvouwd als het zover is’ Harrie II knikte en begon champignons op te scheppen. Na het eten kleedden beiden zich om en verlieten ze de Kapel van heilige Kees. Tegen de schemering kwamen ze aan in Helsdieperwaard, het was er verontrustend rustig. Prostaatus hield even halt, maar omdat er geen wacht te zien was liep hij daarna weer met stevige pas door. Ze wilden net het kerkhof oplopen toen Harrie het niet meer hield. Hij had zes mijl gelopen met een marmeren grafsteen op zijn rug, en nu hield de achtjarige jongen het niet meer. Hij liet de steen met een oorverdovende klap op de grond vallen. Direct werden in alle huizen aan het plein de kaarsen ontstoken en de toortsen gepakt, maar nog voor Harrie weg kon rennen slaakte iemand een luide angstige schreeuw. Prostaatus holde naar Harrie, tilde hem op en gooide hem in de eerste tombe die hij kon vinden op de begraafplaats, hij sloot snel het ijzeren hek en keek door de spijlen naar het plein. Alle deuren werden opengegooid en er stroomde een menigte het plein op. Toch zag niemand de brokken van de grafsteen, ze waren namelijk allemaal afgeleid door de hangende gestalte aan de vlaggenmast die de voorgevel van de kerk ontsierde. Harrie en Prostaatus konden door de bladeren van de wilg die voor de tombe stond nog net het lichaam zien hangen. ‘Verdomme’ vloekte Prostaatus binnensmonds ‘hij heeft er weer één te pakken gekregen, de afgewassen moedervlekkenlikker.’ Harrie keek langs Prostaatus heen en zag daar temidden van de menigte de vervloekte verschijning van niemand minder dan Stads Gek. ‘Haal de landheer’ riep het hoofd van de wacht tegen een stadswacht ‘en snel, we moeten het dorp afsluiten, hij kan nog niet ver zijn!’ Harrie keek nog steeds naar Stads Gek, maar die gedroeg zich opeens erg vreemd, hij keek om zich heen en rende toen snel langs de boodschapper naar het kasteel van de Landheer. ‘De smeerpoets’ zei Prostaatus zacht, ‘het zou me niets verbazen als Gek en de Landheer onder een hoedje spelen.’ Harrie vroeg zich af hoe groot dat hoedje dan wel niet moest zijn toen er voor de tweede keer die avond een kreet geslaakt werd. Het touw had het begeven en de jonge gestalte viel drie verdiepingen omlaag bovenop het draaiorgel dat voor de kerk stond. De orgelspeler keek er even naar, begon te huilen, haalde zijn bakje tevoorschijn en begon te bedelen. Prostaatus tikte Harrie op zijn schouder en zei ‘snel, we moeten naar het huis van Stads Gek gaan nu er niemand op ons let.’ Hij ontgrendelde de poort en ze slopen snel de tombe uit. Zo stil als een ingevroren winterpeen slopen ze langs de kerk en renden toen het laatste stukje naar het huisje van Stads Gek. Prostaatus maakte het slot open met behulp van een Zwitserse Bijbel, en sloot het meteen weer toen ze binnenstonden. Het was donker in het huisje, en het zag eruit alsof er al jaren niemand meer had gewoond. Prostaatus haalde een vuursteen uit zijn pij en stak een fakkel aan die hij onder zijn oksel had verstopt. ’Alle kosters op een stokje wat een troep’ riep hij uit. Harrie keek om zich heen en twijfelde geen moment aan de zojuist gedane uitspraak van Prostaatus. Het was echt een gigantische rommel, niet alleen had Stads Gek kennelijk een voorliefde voor spinnenwebben ook leek het alsof hij dagelijks alle stront ophaalde in Helsdieperwaard om die vervolgens in zijn woonkamer te dumpen. Het stonk er verschrikkelijk en bij elke stap zakte je dieper weg in de troep op de grond. ’Kattenpoep’ mompelde Prostaatus nadat hij een handje stront van de vloer had geraapt en bij zijn neus had gehouden. ’Het hele godganse huis zit onder de kattenstront.’ Harrie liep voor Prostaatus langs ’Ik denk dat hier al heel erg lang niemand meer is geweest meneer.’ Prostaatus ging hem weer voor ’Klopt Harrie, maar toch moeten we deze rommel doorzoeken.’ Harrie ging weer voor hem staan en liep naar wat de keukendeur bleek te zijn. Prostaatus liep voor Harrie langs en keek de keuken rond. Het was de smerigste plaats op aarde -Noot van de schrijver, dit is geen grapje, het was echt de ranzigste plaats op aarde- in het midden van de keuken stond een tafel waaraan twee skeletten, vermoedelijk de ouders van Stads en Dorps Gek, zaten. Op de tafel zelf lag een hoop rottende kattenpoep en kots die tot aan het plafond reikte. De vloer was vergeven van maden en wormen, en bij elke teug adem die je haalde in die keuken slikte je minstens twee of drie strontvliegen in. Het stikte namelijk van vliegen in die keuken, het was alsof je in een regenbui liep, alleen vlogen de regendruppels om je heen en nestelden ze zich in je haar om daar eitjes te leggen. Prostaatus liep naar het aanrecht, in de wasbak lagen botten van iets dat niet menselijk noch dierlijk kon zijn en over het droogrek hing de rottende huid van een hond. Stads Gek was een psychopaat, dat was wel duidelijk, en kennelijk had hij zo’n grote liefde voor katten dat hij alles wat niet van katten hield pijnlijk afmaakte. Harrie liep door de maden en trok een deur open, dat was niet slim. Achter de deur bevond zich een opeenstapeling van mens- en dierlijke resten die zich de keuken in stortte, de golf van rottingsprocessen en ingewanden spoelde Harrie en Prostaatus terug de woonkamer is, Prostaatus klampte zich vast aan een plafondbalk en Harrie klampte zich vast aan de schedel van meneer Gek. Nadat de golf was gaan liggen besloten Harrie en Prostaatus om de bovenverdieping eens te gaan inspecteren. Ze liepen de trap op en Harrie sprong met een salto de overloop op. Prostaatus deed een dubbele handstand en kwam voor Harrie terecht. De overloop leek in niets op de onderverdieping, hier was alles brandschoon en rook het naar citroen met een vleugje kaneel. Prostaatus sloeg de enige deur op de gang open. Niets, achter de deur keek je het zwarte niets in, het was er zo donker als een pik. Prostaatus stapte naar binnen en Harrie volgde. Hij was nog niet over de drempel of de deur sloot zichzelf alweer. Het licht van Prostaatus’ fakkel verlichtte nog geen drie meter vooruit, maar meer was er ook niet nodig om te beseffen dat ze in een archief waren, ze werden omringt door torenhoge boekenkasten. Harrie II keek naar de muur achter zich en zag daar het woord “licht” geschreven staan, hij tikte Prostaatus aan en die keek er ook naar. Onder het bordje hing een pijl, deze wees op een klein bakje met een doorzichtige vloeistof. Prostaatus hield zijn fakkel aan het bakje en razendsnel verspreidde het vuur zich door de hele kamer. Deze bleek helemaal vol met boekenkasten te staan en over elke kast liep een klein kanaaltje met diezelfde vloeistof als in het bakje. De vlammen verspreidden zich en doken de verte in. Dit was geen simpel persoonlijk bibliotheekje, dit was een gigantisch archief, Harrie en Prostaatus keken langs alle rekken de diepte in, maar konden de andere kant van de kamer niet zien. De donkere houten boekenkasten kraakten van de warmte van het vuur en Prostaatus begon het middenpad af te lopen. Harrie keek omhoog en zag dat het gewelfde plafond uit rots bestond, ze moesten in de heuvels achter het dorp zitten. ‘Harrie?’ klonk het vragend in de verte. ‘Wat is er meneer?’ riep hij terug, ‘Hier is een register, kom eens kijken’ riep Prostaatus. Harrie liep naar de oude pastoor en die bleek op een verhoging in het midden van de zaal te staan. Harrie ging naast hem staan en keek naar het dikke boek dat op een standaard voor Prostaatus lag. ‘Dit’ begon Prostaatus ‘is niet zomaar een archief, het bevat een gedetailleerde beschrijving van elke persoon die ooit geleefd heeft in Britannië.’ ‘Maar,’ vroeg Harrie, ‘wie heeft dat dan bijgehouden?’ ‘Kennelijk hoeft dat niet Harrie, kijk hier eens.’ Harrie keek en zag op de laatste beschreven pagina van het boek woorden verschijnen. “Kwarkie Hoefijzer, geboren 3 oktober 1410, om zes minuten over twee ‘s nachts, derde plank, rek vierenveertig in gang twaalf” Nog voordat die zin uitgeschreven was begon er alweer een nieuwe, en nog één en nog één. Het boek hield iedere geboorte automatisch bij en gaf aan waar het boek te liggen kwam waar het levensverhaal van die persoon in geschreven werd. ‘Harrie?’ riep Prostaatus plotseling. ‘Wat is er meneer?’ vroeg Harrie ogenblikkelijk. ‘We moeten het boek vinden waarin het leven van Stads Gek beschreven staat, daar staat ook in hoe hij die arme jongens heeft omgelegd! Snel we moeten…’ hij bladerde het boek razendsnel door, ‘gang vierendertig hebben, rek twaalf, plank zeventien.’ Ze renden de hal door en lazen de gangpaden nummers. ‘Hier, hier is het’ riep Harrie II. Prostaatus kwam naast hem staan en pakte van de plank een gigantisch dik boek, de kaft las; “Het leven en de gebeurtenissen in het leven van Stads Gek, geboren op negenentwintig februari 1357.” ‘Nu weet ik ook waarom hij zo verbitterd is’ zei Prostaatus, ‘hij mag maar eens in de vier jaar zijn verjaardag vieren, dat zou mij ook des duivels maken.’ Hij en Harrie liepen net terug naar het middenpad toen de deur van het archief in de verte opensloeg. ‘Ze moeten hier zijn, zoek ze, vind ze, pak ze op, sla ze neer, geef ze geen genade, geef ze geen rust, geef ze geen bruine bonen!’ Harrie herkende de stem van de Landheer. Hoe wist die in godsnaam dat ze hier waren? Prostaatus trok Harrie aan zijn arm een zijpad in. Ze hoorde het gekletter van de harnassen van de stadswachters dichterbij komen. Harrie stond op en trok Prostaatus mee naar het einde van het zijpad. Ze renden buitenom terug naar de deur maar nog voordat ze daar aankwamen stonden ze ineens oog in oog met de landheer. ‘Er is geen kans op ontsnapping deze keer Prostaatus, geef de jongen op en ga met mij mee!’ ‘NOOIT’ riep Prostaatus onverwacht hard, hij greep Harrie bij zijn gewaad en trok hem achter een kast. ‘Ze zijn hier! Wacht ze zijn hier!’ schreeuwde de Landheer. ‘Deze keer zal ik mijn wraak hebben’ hij trok zijn zwaard uit de schede. ‘Wat bedoeld hij meester, waarvoor zal hij wraak hebben?’ ‘Niet nu Harrie, we moeten eerst uit deze situatie ontsnappen. Snel, nu, RENNEN!’ Harrie en Prostaatus schoten langs de kasten, ze sloegen hoek na hoek om tot ze opeens recht tegenover een wacht stonden. Deze trok een grijns en richtte zijn kruisboog. ‘NEE, NIET DOEN IDIOOT’ schreeuwde de landheer maar het was al te laat. De wacht schoot, Harrie II zag alles als in een vertraagde opname en liet zich meeslepen door het lot. Prostaatus die op hem afdook, de pijl die afkaatste, de hollende gestalte van de Landheer, de grijns die abrupt verdween van het gezicht van de wacht, en nogmaals de pijl die door één van de kanaaltjes boven de boekenkasten heen vloog. Harrie II kwam weer volledig bij zinnen, alles ging nu juist heel snel, Prostaatus schreeuwde dat ze weg moesten komen, de Landheer schreeuwde dat hij weg moest komen, één van de wacht schreeuwde dat het een kookboek was, en de vlammen sprongen om zich heen. De vlammende olie spoot uit het kanaal en boekenkast na boekenkast ging in vlammen op, Harrie en Prostaatus rende naar de uitgang, de wachten hadden geen oog meer voor hen, twee stonden in brand en een derde had een straal kokende olie over zich heen gekregen. De Landheer was Harrie en Prostaatus kwijtgeraakt en probeerde zichzelf ook in veiligheid te brengen. Eindelijk, daar was de deur. Prostaatus sprong en doorheen en Harrie II volgde zo snel als hij kon. Ze renden het huisje uit, langs de menigte op het plein maar bleven staan toen ze een gigantische knal hoorde. Iedereen in het dorp richtte oren ogen en voeten naar de heuvels achter de kerk. Drie tellen was er stilte, en toen weer een gigantische knal, de hoogste heuvel top spatte in een kolkende vlammenzee uit elkaar. De brokstukken vlogen heinde en verre, sommigen troffen het dorp. Één brokstuk vloog door de kerktoren heen die meteen instortte, nog een vloog door de pastorie, en nog een trof het plein in volle vaart, overal was vuur, overal was rotzooi, en op sommige plaatsen waren gewonden. Harrie en Prostaatus werden als het ware wakkergeschut doordat een tweede heuvel ook ontplofte. Ze draaiden zich om en snelden het Helsdieperwoud in, Harrie keek onder het rennen nog één keer om, net op tijd om een gigantisch rotsblok op hem af te zien komen, Prostaatus bleef ook staan, de angst stond op zijn gezicht te lezen, Harrie keek niet waar hij liep en struikelde hij trof de grond en voor de tweede maal in drie weken werd alles donker.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten