donderdag 13 maart 2008

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk IV

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 4. Het peilen van de hartslag van een leeuwerik met een ongewenst politieke invalshoek.

15,15 september, 1410- Helsdieperwaard, Engeland

Prostaatus opende plots zijn ogen, ‘Harrie, snel pak de sleutels, we nemen de achterdeur’ ‘Waarom’ wilde Harrie II onmiddellijk weten. ‘Snap het dan jongen, we moeten Stads Gek te pakken krijgen, we moeten aantonen dat we onschuldig zijn!’ Harrie II sprong op, ‘meteen meneer!’ hij rende zo snel mogelijk de kerk door naar het sleutelaltaar, trok het deksel open en greep de sleutels, ‘Ik heb ze!’ schreeuwde hij de kerk door. ‘Allemaal’ vroeg Prostaatus. Harrie telde de sleutels, ‘Ja, allemaal’ wierp hij boven het knarsen van de deur uit. Buiten werd het meteen stil. Prostaatus kwam naast Harrie staan en keek bedenkelijk. ‘Heeft u ze allemaal daar?’ riep een stem van buiten de deur. ‘Ja, allemaal’ riep Harrie terug, hij kon het gemompel buiten de kerk horen, kennelijk had iets dat hij gezegd had voor oproer gezorgd. ‘Ze zijn toch wel nog in leven?’ klonk een bezorgde vrouwenstem. ‘In leven, hoe bedoeld u?’ riep Prostaatus. ‘Zijn… zijn ze dood?’ werd er voorzichtig geschreeuwd. ‘Nou, dood zou ik niet willen zeggen’ riep Harrie ‘levend zijn ze in ieder geval niet.’ Er klonk verwoed geschreeuw en een paar luide snikken en kreten. Harrie II vroeg zich af waarom deze lui zo geïnteresseerd waren in sleutels. ‘Wat heb je godverdomme met ze gedaan’ klonk het toen woedend van buiten. ‘Niets, ik heb ze gewoon uit het altaar gehaald.’ ‘Uit het altaar? Jij gore achterbakse schlemiel, je hebt ze laten stikken, wacht maar tot we je te pakken krijgen! Zieke pluk ongewassen okselhaar dat je bent!’ Prostaatus keek Harrie vol onbegrip aan, ‘Harrie, we moeten niet blijven wachten tot ze binnengekomen zijn, we moeten nu gaan.’ Hij wachtte niet op antwoord, greep de sleutels uit Harrie’s hand en haastte zich door de achterdeur van de kerk. Buiten renden ze de velden achter de kerk in. Na een minuutje of tien gerend te hebben kwamen ze aan bij een heuvel aan het einde van de landerijen. Ze beklommen de heuvel en zagen in de verte de toortsen van de menigte. ‘Wat doen we nu meester?’ Prostaatus draaide zich om en keek Harrie aan, ‘we lopen nog een tijdje door, in het Helsdieperwoud staat de oude kapel van de heilige Kees, daar moeten we de nacht maar doorbrengen. Harrie knikte en stond op, hij wierp nog een laatste blik op de menigte en liep toen de heuvel af.
De kerkklokken van Helsdieperwaard klonken al vroeg die morgen, een dorpsvergadering was ingelast om te overleggen hoe de zoektocht naar Harrie en Prostaatus werd voortgezet. Men was gisternacht de kerk binnen gedrongen, maar de lichamen van de jongens werden niet gevonden. Toen bij thuiskomst bleek dat deze nog gewoon in leven waren heerste er een gevoel van opluchting in het dorp, deze werd helaas diezelfde nacht nog ruw verstoord door de vondst van boer Flabbel. Hij had namelijk het lichaam gevonden van non Wakku. En ondanks dat men zich afvroeg waarom de beste man om twee uur ’s nachts nog in zijn tuin stond te spitten, kwam dit nieuws aan als een mokerslag. Men was verontwaardigd, boos, en moe. Ondanks alles was het toch druk in de kerk. De landheer liep het bordes op en ging achter het spreekaltaar staan. ’Beste burgers, edelen en minder bedeelden *kuch* zwervers *kuch*, wij zijn hier vandaag bijeen gekomen om het recht te laten gelden, Harrie en Prostaatus zullen boeten voor deze wandaden, nu al hebben ze drie mensen vermoord en één ernstig verminkt met een theedoek. Dit moet een halt toegeroepen worden, ik verklaar hierbij zowel Harrie II Broedervisbek, als onze eigen pastoor Prostaatus vogelvrij!’ ‘Hé wacht eens even,’ riep iemand vanuit de kerk ‘daar heb jij de bevoegdheid toch hele-’ de beste man die de wetten nauwkeurig op zijn duimpje kende werd van achteren neergeslagen en weggevoerd. ‘Nog iemand die het beter denkt te weten’ riep de Landheer. De zaal schudde zijn hoofd, en nadat alle spullen weer recht waren gezet vervolgde de landheer ‘De pastoor en de jongen zullen eeuwig nagejaagd worden, nooit meer zullen zij ons dorp lastigvallen. Ga nu eenieder en zoek, zoek tot ze gevonden zijn, het recht zal zegevieren, zij zullen sterven, de gevallenen zullen herdacht worden, en ik zal koning zijn, WHAHAHA, HAHAHA!’ Er viel een stilte die zijn weerga niet kende terwijl alle ogen op de landheer gericht werden. Hij herstelde zich vlug en zei ‘ehum, ja, nu, de wacht zal zich concentreren op de wegen rondom ons dorp, ik vraag jullie de gewone burgers om jullie levens weer gewoon te hervatten. Ik wil geen paniek in dit dorp. Over paniek gesproken heeft iemand de twee zonen van boer Flabbel onlangs nog gezien?’ Die opmerking veroorzaakte veel rumoer en tandengeknars. Waar waren de zonen van boer Flabbel? waar waren Harrie II en Prostaatus? hoe kwam het dat die twee zo onopgemerkt weg hadden kunnen komen? en wat is de zin van het leven? Al die vragen spookte door de hoofden van de burgers van Helsdieperwaard terwijl er snel een zoektocht werd ingelast naar Flobbel en Flibbel. Overal in de omgeving van het dorp werd gezocht, maar die avond was er nog geen spoor van de jongens, boer Flabbel en zijn vrouw Floebel waren ten einde raad. Ze zochten overal maar de jongens werden niet gevonden. Ook de volgende dag werd er druk gezocht, maar ook ditmaal zonder resultaat. Op Maandagmorgen kwam er echter schot in de zaak toen beide jongens terugkwamen van schoolkamp. De opluchting hing als een warme deken over het dorp voor de rest van de dag. Boer Flabbel kreeg flink op z’n donder omdat hij als analfabeet het briefje op de slaapkamer deur van zijn zonen niet had gelezen, en men ging over op de orde van de dag: het zoeken van Prostaatus en Harrie II. De zoektocht werd echter gestaakt na drie weken, men was ervan overtuigd dat de twee onverlaten het dorp achter zich hadden gelaten en hun heil elders waren gaan zoeken.
Echter, op een paar teksten uit de Bijbel na was niets minder waar, Harrie II en de pastoor zaten nog steeds in de kapel van heilige Kees. Tot nu toe hadden beiden nog niets te klagen gehad, er waren wel al twee groepjes wachten in de kapel komen kijken, maar Harrie en Prostaatus hadden een geheime wijnkelder ontdekt onder het altaar. Daar hadden ze ook hun slaapvertrekken ingericht en een klein fornuis geconstrueerd. Aan eten komen bleek niet moeilijk te zijn, er was voldoende aan vruchten te vinden in het woud, en nog geen dertig meter van de kapel stroomde een beekje met heerlijk helder water. Ze hadden ook al verschillende plannetjes bekokstoofd, maar tot nu toe bleek er geen echt lekker te zijn. Harrie II kreeg opeens echter een briljante ingeving, wat nu als ze Stads Gek lokte door zichzelf voor te doen als kinderen die katten graven sloopten. Postaatus vond het een uitstekend plan, en nadat hij zich er tweemaal aan gestoten had besloten ze om de volgende avond tot uitvoering over te gaan. Op de ochtend van de dag waarop ze operatie puinzooi gingen uitvoeren hakten ze een grafsteen uit een blok marmer dat ze bij de Marmer Gigant hadden gekocht. Prostaatus was net de laatste woorden in de steen aan het beitelen toen Harrie II terugkwam met een mandje vol champignons. ‘Waar heb ge die vandaan?’ vroeg Prostaatus. ‘Uit de provisiekast van boer Flabbel, hij en zijn zonen waren de varkens aan het verven, en toen ben ik snel naar binnen geglipt.’ ‘Weet je hoe je ze moet klaarmaken Harrie?’ vroeg de pastoor. Harrie schudde zijn hoofd. ‘Nou, in de keuken staat een boek naast het fornuis, kijk daar maar eens in.’ Harrie deed wat hem gezegd werd en spoedde zich de keuken in. Die middag aten ze een verrukkelijk feestmaal, niet alleen hadden ze de gebakken champignons, ook had Prostaatus twee konijntjes in de val weten te lokken met een slagroomtaart. De konijnen lagen nu heerlijk gestoofd voor hen op tafel. Terwijl Harrie II de konijnen aansneed herhaalde Prostaatus nogmaals het plan voor die avond. ‘Nu Harrie, je weet wat je te doen staat als we ons eenmaal omgekleed hebben’ ‘Ja meneer, ik zet dan de grafsteen neer op de plaats waar die van Loodje eerst stond, daarna wachten we samen tot Stads Gek langskomt gelopen tijdens het uitlaten van zijn hond Boontje.’ Prostaatus knikte en vervolgde ‘dan roep ik “rotkatten we zouden jullie allemaal moeten afmaken,” en dan schop jij tegen het graf aan.’ ‘Juist’ zei Harrie, ‘en dan?’ ‘Hoe bedoel je en dan’ zei Prostatus, ‘er is geen “dan”, dit is het plan’ Harrie keek hem even aan en vroeg toen ‘maar wat gebeurt er dan, wordt hij dan opgepakt of zo? Ik snap het niet helemaal’ ‘Ik ook niet,’ zei Prostaatus ‘maar we zien wel hoe de rest van de avond zich ontvouwd als het zover is’ Harrie II knikte en begon champignons op te scheppen. Na het eten kleedden beiden zich om en verlieten ze de Kapel van heilige Kees. Tegen de schemering kwamen ze aan in Helsdieperwaard, het was er verontrustend rustig. Prostaatus hield even halt, maar omdat er geen wacht te zien was liep hij daarna weer met stevige pas door. Ze wilden net het kerkhof oplopen toen Harrie het niet meer hield. Hij had zes mijl gelopen met een marmeren grafsteen op zijn rug, en nu hield de achtjarige jongen het niet meer. Hij liet de steen met een oorverdovende klap op de grond vallen. Direct werden in alle huizen aan het plein de kaarsen ontstoken en de toortsen gepakt, maar nog voor Harrie weg kon rennen slaakte iemand een luide angstige schreeuw. Prostaatus holde naar Harrie, tilde hem op en gooide hem in de eerste tombe die hij kon vinden op de begraafplaats, hij sloot snel het ijzeren hek en keek door de spijlen naar het plein. Alle deuren werden opengegooid en er stroomde een menigte het plein op. Toch zag niemand de brokken van de grafsteen, ze waren namelijk allemaal afgeleid door de hangende gestalte aan de vlaggenmast die de voorgevel van de kerk ontsierde. Harrie en Prostaatus konden door de bladeren van de wilg die voor de tombe stond nog net het lichaam zien hangen. ‘Verdomme’ vloekte Prostaatus binnensmonds ‘hij heeft er weer één te pakken gekregen, de afgewassen moedervlekkenlikker.’ Harrie keek langs Prostaatus heen en zag daar temidden van de menigte de vervloekte verschijning van niemand minder dan Stads Gek. ‘Haal de landheer’ riep het hoofd van de wacht tegen een stadswacht ‘en snel, we moeten het dorp afsluiten, hij kan nog niet ver zijn!’ Harrie keek nog steeds naar Stads Gek, maar die gedroeg zich opeens erg vreemd, hij keek om zich heen en rende toen snel langs de boodschapper naar het kasteel van de Landheer. ‘De smeerpoets’ zei Prostaatus zacht, ‘het zou me niets verbazen als Gek en de Landheer onder een hoedje spelen.’ Harrie vroeg zich af hoe groot dat hoedje dan wel niet moest zijn toen er voor de tweede keer die avond een kreet geslaakt werd. Het touw had het begeven en de jonge gestalte viel drie verdiepingen omlaag bovenop het draaiorgel dat voor de kerk stond. De orgelspeler keek er even naar, begon te huilen, haalde zijn bakje tevoorschijn en begon te bedelen. Prostaatus tikte Harrie op zijn schouder en zei ‘snel, we moeten naar het huis van Stads Gek gaan nu er niemand op ons let.’ Hij ontgrendelde de poort en ze slopen snel de tombe uit. Zo stil als een ingevroren winterpeen slopen ze langs de kerk en renden toen het laatste stukje naar het huisje van Stads Gek. Prostaatus maakte het slot open met behulp van een Zwitserse Bijbel, en sloot het meteen weer toen ze binnenstonden. Het was donker in het huisje, en het zag eruit alsof er al jaren niemand meer had gewoond. Prostaatus haalde een vuursteen uit zijn pij en stak een fakkel aan die hij onder zijn oksel had verstopt. ’Alle kosters op een stokje wat een troep’ riep hij uit. Harrie keek om zich heen en twijfelde geen moment aan de zojuist gedane uitspraak van Prostaatus. Het was echt een gigantische rommel, niet alleen had Stads Gek kennelijk een voorliefde voor spinnenwebben ook leek het alsof hij dagelijks alle stront ophaalde in Helsdieperwaard om die vervolgens in zijn woonkamer te dumpen. Het stonk er verschrikkelijk en bij elke stap zakte je dieper weg in de troep op de grond. ’Kattenpoep’ mompelde Prostaatus nadat hij een handje stront van de vloer had geraapt en bij zijn neus had gehouden. ’Het hele godganse huis zit onder de kattenstront.’ Harrie liep voor Prostaatus langs ’Ik denk dat hier al heel erg lang niemand meer is geweest meneer.’ Prostaatus ging hem weer voor ’Klopt Harrie, maar toch moeten we deze rommel doorzoeken.’ Harrie ging weer voor hem staan en liep naar wat de keukendeur bleek te zijn. Prostaatus liep voor Harrie langs en keek de keuken rond. Het was de smerigste plaats op aarde -Noot van de schrijver, dit is geen grapje, het was echt de ranzigste plaats op aarde- in het midden van de keuken stond een tafel waaraan twee skeletten, vermoedelijk de ouders van Stads en Dorps Gek, zaten. Op de tafel zelf lag een hoop rottende kattenpoep en kots die tot aan het plafond reikte. De vloer was vergeven van maden en wormen, en bij elke teug adem die je haalde in die keuken slikte je minstens twee of drie strontvliegen in. Het stikte namelijk van vliegen in die keuken, het was alsof je in een regenbui liep, alleen vlogen de regendruppels om je heen en nestelden ze zich in je haar om daar eitjes te leggen. Prostaatus liep naar het aanrecht, in de wasbak lagen botten van iets dat niet menselijk noch dierlijk kon zijn en over het droogrek hing de rottende huid van een hond. Stads Gek was een psychopaat, dat was wel duidelijk, en kennelijk had hij zo’n grote liefde voor katten dat hij alles wat niet van katten hield pijnlijk afmaakte. Harrie liep door de maden en trok een deur open, dat was niet slim. Achter de deur bevond zich een opeenstapeling van mens- en dierlijke resten die zich de keuken in stortte, de golf van rottingsprocessen en ingewanden spoelde Harrie en Prostaatus terug de woonkamer is, Prostaatus klampte zich vast aan een plafondbalk en Harrie klampte zich vast aan de schedel van meneer Gek. Nadat de golf was gaan liggen besloten Harrie en Prostaatus om de bovenverdieping eens te gaan inspecteren. Ze liepen de trap op en Harrie sprong met een salto de overloop op. Prostaatus deed een dubbele handstand en kwam voor Harrie terecht. De overloop leek in niets op de onderverdieping, hier was alles brandschoon en rook het naar citroen met een vleugje kaneel. Prostaatus sloeg de enige deur op de gang open. Niets, achter de deur keek je het zwarte niets in, het was er zo donker als een pik. Prostaatus stapte naar binnen en Harrie volgde. Hij was nog niet over de drempel of de deur sloot zichzelf alweer. Het licht van Prostaatus’ fakkel verlichtte nog geen drie meter vooruit, maar meer was er ook niet nodig om te beseffen dat ze in een archief waren, ze werden omringt door torenhoge boekenkasten. Harrie II keek naar de muur achter zich en zag daar het woord “licht” geschreven staan, hij tikte Prostaatus aan en die keek er ook naar. Onder het bordje hing een pijl, deze wees op een klein bakje met een doorzichtige vloeistof. Prostaatus hield zijn fakkel aan het bakje en razendsnel verspreidde het vuur zich door de hele kamer. Deze bleek helemaal vol met boekenkasten te staan en over elke kast liep een klein kanaaltje met diezelfde vloeistof als in het bakje. De vlammen verspreidden zich en doken de verte in. Dit was geen simpel persoonlijk bibliotheekje, dit was een gigantisch archief, Harrie en Prostaatus keken langs alle rekken de diepte in, maar konden de andere kant van de kamer niet zien. De donkere houten boekenkasten kraakten van de warmte van het vuur en Prostaatus begon het middenpad af te lopen. Harrie keek omhoog en zag dat het gewelfde plafond uit rots bestond, ze moesten in de heuvels achter het dorp zitten. ‘Harrie?’ klonk het vragend in de verte. ‘Wat is er meneer?’ riep hij terug, ‘Hier is een register, kom eens kijken’ riep Prostaatus. Harrie liep naar de oude pastoor en die bleek op een verhoging in het midden van de zaal te staan. Harrie ging naast hem staan en keek naar het dikke boek dat op een standaard voor Prostaatus lag. ‘Dit’ begon Prostaatus ‘is niet zomaar een archief, het bevat een gedetailleerde beschrijving van elke persoon die ooit geleefd heeft in Britannië.’ ‘Maar,’ vroeg Harrie, ‘wie heeft dat dan bijgehouden?’ ‘Kennelijk hoeft dat niet Harrie, kijk hier eens.’ Harrie keek en zag op de laatste beschreven pagina van het boek woorden verschijnen. “Kwarkie Hoefijzer, geboren 3 oktober 1410, om zes minuten over twee ‘s nachts, derde plank, rek vierenveertig in gang twaalf” Nog voordat die zin uitgeschreven was begon er alweer een nieuwe, en nog één en nog één. Het boek hield iedere geboorte automatisch bij en gaf aan waar het boek te liggen kwam waar het levensverhaal van die persoon in geschreven werd. ‘Harrie?’ riep Prostaatus plotseling. ‘Wat is er meneer?’ vroeg Harrie ogenblikkelijk. ‘We moeten het boek vinden waarin het leven van Stads Gek beschreven staat, daar staat ook in hoe hij die arme jongens heeft omgelegd! Snel we moeten…’ hij bladerde het boek razendsnel door, ‘gang vierendertig hebben, rek twaalf, plank zeventien.’ Ze renden de hal door en lazen de gangpaden nummers. ‘Hier, hier is het’ riep Harrie II. Prostaatus kwam naast hem staan en pakte van de plank een gigantisch dik boek, de kaft las; “Het leven en de gebeurtenissen in het leven van Stads Gek, geboren op negenentwintig februari 1357.” ‘Nu weet ik ook waarom hij zo verbitterd is’ zei Prostaatus, ‘hij mag maar eens in de vier jaar zijn verjaardag vieren, dat zou mij ook des duivels maken.’ Hij en Harrie liepen net terug naar het middenpad toen de deur van het archief in de verte opensloeg. ‘Ze moeten hier zijn, zoek ze, vind ze, pak ze op, sla ze neer, geef ze geen genade, geef ze geen rust, geef ze geen bruine bonen!’ Harrie herkende de stem van de Landheer. Hoe wist die in godsnaam dat ze hier waren? Prostaatus trok Harrie aan zijn arm een zijpad in. Ze hoorde het gekletter van de harnassen van de stadswachters dichterbij komen. Harrie stond op en trok Prostaatus mee naar het einde van het zijpad. Ze renden buitenom terug naar de deur maar nog voordat ze daar aankwamen stonden ze ineens oog in oog met de landheer. ‘Er is geen kans op ontsnapping deze keer Prostaatus, geef de jongen op en ga met mij mee!’ ‘NOOIT’ riep Prostaatus onverwacht hard, hij greep Harrie bij zijn gewaad en trok hem achter een kast. ‘Ze zijn hier! Wacht ze zijn hier!’ schreeuwde de Landheer. ‘Deze keer zal ik mijn wraak hebben’ hij trok zijn zwaard uit de schede. ‘Wat bedoeld hij meester, waarvoor zal hij wraak hebben?’ ‘Niet nu Harrie, we moeten eerst uit deze situatie ontsnappen. Snel, nu, RENNEN!’ Harrie en Prostaatus schoten langs de kasten, ze sloegen hoek na hoek om tot ze opeens recht tegenover een wacht stonden. Deze trok een grijns en richtte zijn kruisboog. ‘NEE, NIET DOEN IDIOOT’ schreeuwde de landheer maar het was al te laat. De wacht schoot, Harrie II zag alles als in een vertraagde opname en liet zich meeslepen door het lot. Prostaatus die op hem afdook, de pijl die afkaatste, de hollende gestalte van de Landheer, de grijns die abrupt verdween van het gezicht van de wacht, en nogmaals de pijl die door één van de kanaaltjes boven de boekenkasten heen vloog. Harrie II kwam weer volledig bij zinnen, alles ging nu juist heel snel, Prostaatus schreeuwde dat ze weg moesten komen, de Landheer schreeuwde dat hij weg moest komen, één van de wacht schreeuwde dat het een kookboek was, en de vlammen sprongen om zich heen. De vlammende olie spoot uit het kanaal en boekenkast na boekenkast ging in vlammen op, Harrie en Prostaatus rende naar de uitgang, de wachten hadden geen oog meer voor hen, twee stonden in brand en een derde had een straal kokende olie over zich heen gekregen. De Landheer was Harrie en Prostaatus kwijtgeraakt en probeerde zichzelf ook in veiligheid te brengen. Eindelijk, daar was de deur. Prostaatus sprong en doorheen en Harrie II volgde zo snel als hij kon. Ze renden het huisje uit, langs de menigte op het plein maar bleven staan toen ze een gigantische knal hoorde. Iedereen in het dorp richtte oren ogen en voeten naar de heuvels achter de kerk. Drie tellen was er stilte, en toen weer een gigantische knal, de hoogste heuvel top spatte in een kolkende vlammenzee uit elkaar. De brokstukken vlogen heinde en verre, sommigen troffen het dorp. Één brokstuk vloog door de kerktoren heen die meteen instortte, nog een vloog door de pastorie, en nog een trof het plein in volle vaart, overal was vuur, overal was rotzooi, en op sommige plaatsen waren gewonden. Harrie en Prostaatus werden als het ware wakkergeschut doordat een tweede heuvel ook ontplofte. Ze draaiden zich om en snelden het Helsdieperwoud in, Harrie keek onder het rennen nog één keer om, net op tijd om een gigantisch rotsblok op hem af te zien komen, Prostaatus bleef ook staan, de angst stond op zijn gezicht te lezen, Harrie keek niet waar hij liep en struikelde hij trof de grond en voor de tweede maal in drie weken werd alles donker.

dinsdag 11 maart 2008

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk III

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 3. Het ongeïnspireerde leven van Jezus opnieuw onder de loep genomen door twaalf deskundige stropers met een vliegbrevet.

13 ¾ september, 1410- Helsdieperwaard, Engeland

Hallelujah, prijst God, Hallelujah, halleluja, halloloeja, hallowadoeja, HALLO! Wat doen jullie daar?
Harrie II ging rechtop in bed zitten en lanceerde daardoor het dienblad op zijn buik door de kamer, het was de zoetgevooisde stem van de Heilige Prostaatus die hij hoorde terwijl de soep tegen het plafond aan vloog. ‘Nee, maak dat jullie wegkomen schavuiten! Anders zullen jullie merken hoe hard die Mariabeelden aan kunnen komen!’
Harrie II hoorde een deur dichtslaan, en even later de stem van Postaatus tegen de hoofd-non, ’Het is gewoon schandalig Wakku, de manier waarop die kleine deugnieten -mogen ze eeuwig branden in de hel- omgaan met de graven van huisdieren. Die kwajongens van net hebben de marmeren steen van Loodje verbrijzeld. Loodje, je weet wel, de kat van de broer van Dorps Gek - god hebben zijn ziel. Harrie II stapte uit bed en liep naar de deur, maar nog voor hij de deur open kon maken zwiepte deze al majestueus open in Harrie’s gezicht. In een reflex haalde Harrie II hard uit met de gietijzeren lepel die naast hem op de grond lag. Hij zag net te laat dat het de non was die binnenkwam, hij raakte haar met uitgestrekte lepel in haar oog.
Ze schreeuwde het uit van de pijn en rende blindelings tegen de pilaar in het midden van de kamer op. Dat was een grove fout, de lepel schoot verder haar oogkast in en doorboorde haar temporale kwab. Harrie II had het geluk dat hij op de lagere school hersenchirurgie had gevolgd, maar zelfs dat mocht niet meer baten, na een paar laatste spuien bloed uit haar halflege oogkas blies Wakku haar laatste adem uit. Harrie II pakte net haar hand op toen de Heilige Prostaatus binnen gestormd kwam. ‘Jezus Christus!’ ‘Nee meneer, het is non Wakku maar’ repliëerde Harrie II direct. ’Jezus, jongen, wat… wat is er in godsnaam gebeurd?’ ‘Het was een reflex meneer, ze kwam net binnen toen ik naar buiten wilde gaan’ Prostaatus keek hem doordringend aan, zuchtte even, en ging toen op Harrie’s bed zitten. ’Luister, Harrie, je bent hier pas twee dagen en nu al ben je aanwezig geweest bij één moord, en heb je, weliswaar door middel van een ongeluk, de hoofd-non om zeep geholpen. Hoe denk je dat de bevolking hierop gaat reageren, dit riekt naar hekserij.’ Harrie II keek beduusd naar z’n voetwerk, dit ging fout, hij kon zich nu al voorstellen hoe de lokale bevolking hem zou lynchen bij het eerste zicht op zijn verschijning. ‘Je hebt nu echt problemen over jezelf afgeroepen, hoe zorgen we ervoor dat we van het lichaam van dat oude takkewijf afkomen zonder dat er vermoedens rijzen in het dorp?’ Harrie dacht hard na, hij wist zeker dat hij diep in de spreekwoordelijke stront zat. Maar hoe diep? Als ze het lichaam zonder verdere tumult weg zouden kunnen krijgen, en de inwoners van Helsdieperwaard niets zouden vermoeden dan zou hij ongeveer tot aan zijn enkels in de stront staan. Mocht er echter iemand achter komen dat hij verantwoordelijk was voor de dood van Wakku, dan zou de stront tot aan z’n lippen staan. De heilige Prostaatus stond op. ’Galopperende paprika’s, dit kan zo niet, wat als ze in mijn kerk wordt gevonden, niemand weet dat jij hier bent jongen, na je kipincident heb ik je stiekem hiernaartoe gebracht vanuit de doctorswoning. Als ze haar zo vinden, dan ben ik hoofdverdachte numero uno.’ Hij pauzeerde even en keek uit het dure glas in lood raam, ’Ik zorg voor het lichaam, probeer jij de rotzooi hier schoon te krijgen, en laat geen vingerafdrukken achter.’ ’Harrie wilde protesteren, maar bedacht zich op tijd dat dit de juiste oplossing was. ‘Ik zal opruimen meester, doe voorzichtig met non Wakku’ ‘Ik ben zo snel mogelijk terug Harrie, maak niemand open in de tussentijd’ Prostaatus tilde het lichaam op, maar hij merkte al snel op dat er bloed uit de oogkas druppelde, ‘snel jongen, geef me dat doopkleed, we willen geen spoor leggen dat ons direct naar haar lichaam leid.’ Harrie overhandigde hem het doopkleed en begon direct zeep te zoeken. Prostaatus nam de non zijdelings op zijn rug en probeerde de deur door te lopen, de non was helaas langer dan de deur breed was, en pas bij de derde klap snapte de oude pastoor dat hij beter zijdelings erdoorheen kon lopen. Zodra Prostaatus de achterdeur uit was gelopen draaide Harrie II de sleutel om in het slot, hij haastte zich naar het schoonmaakhok om zeep, water en doeken te halen. Hij wilde net water pakken uit het voorraadaltaar toen hij gelach achter zich hoorde, hij draaide zich om. Er was niemand te zien in de lange kruisvormige hal van de kerk, hij liep naar het middenpad, en keek om zich heen. Niemand. Hij liep terug naar het altaar en schoof de deksel opzij, hij pakte zijn spullen en wilde net de deksel weer terugleggen toen hij voetstappen hoorde. Weer draaide hij zich om, weer niemand. Hij liep de banken langs, rij voor rij allemaal leeg. Toen wist hij het, de biechthokjes, iemand moest zich in de biechthokjes verstopt hebben. Hij rende langs de schilderijen met de lijdensweg van Jezus en gooide de deur van het eerste hokje met een zwieper van jewelste open. Niets, het volgende hokje, niets, niets, niets en niets. Hij liep naar hokje nummer zes toe. Voorzichtig pakte hij het rijk bewerkte handvat vast. Geluidloos draaide hij, de deur gooide hij open en daar trof hij een wit varken aan. Hij gooide het varken de kerk uit en ging verder met zijn poetsbezigheden. Eerst de lakens, hij schrobde ze helemaal blank, daarna de plavuizen vloer, en als laatste de kast, maar vreemd genoeg stond die er niet meer. Harrie was vrij zeker van zichzelf, een minuut geleden stond die kast er wel nog. Hij draaide zich om, daar was de kast, hij probeerde om door de deur te komen. Een streven dat met elke poging zou mislukken, de afmetingen van de kast overtroffen die van de deur namelijk op elk vlak. Harrie schoot op de kast af en trok zijn beide deuren tegelijk open. En daar was hij, de man die hij ook in de kerk had gehoord, Stads Gek. De broer van Dorps Gek. ‘Wat wil jij nu weer?’ vroeg Harrie II. ‘Ik wil -Noot van de schrijver, denk aan spannende muziek voor de volgende paar woorden- ik wil… ik wil… Ik wil de namen van die klootzakken die de grafsteen van m’n poesje hebben vernield. Stads Gek begon te huilen en Harrie sloeg een arm van mededogen om hem heen. Stads Gek pakte de arm en zette hem in de paraplustandaard naast de deur. ’Ik heb hard moeten werken voor die grafsteen’ snikte de Gek. Harrie II gaf hem enkele woorden van sympathie jegens het arme dier en nadat Stads Gek deze in zijn binnenzak had gestopt stond hij op. ‘Kom’ zei Harrie II, ‘dan gaan we eens kijken in het parochieboek, of we die kleine deugnieten kunnen vinden’ ‘en villen’ voegde Stads Gek daar stilletjes aan toe. De kwajongens werden al snel gevonden, dit deels door het scherpe jeugdige zicht van Harrie II, en deels doordat er bij hun namen “mogen ze eeuwig branden in de hel, met een vleeshaak in hun aars” was toegevoegd door de immer sympathieke en vriendelijke Prostaatus.
Nadat Stads Gek helemaal tevreden was gesteld met de adressen van vijf jongens in de leeftijdscategorie van tussen de acht en twaalf jaar ruimde Harrie II de laatste restjes spetterbloed op. En net toen hij de laatste poetslap had uitgespoeld kwam de Heilige Prostaatus helemaal bezweet en onder de modder de kerk binnen gerend.
‘Nou, ik heb haar goed en diep begraven in de velden van boer Flabbel. Als ze haar daar ooit nog vinden dan eet ik mijn staf op,’ ‘Ehm’ begon Harrie II ‘werd daar niet binnenkort een grote mestkuil gegraven?’ Prostaatus keek even naar de jongen, schudde zijn hoofd en vroeg Harrie II om hem de communiewijn aan te geven en de rest van de dag met rust te laten. Harrie II deed wat de oude man hem vroeg en ging daarna naar zijn kamer boven in de kerktoren van Helsdieperwaard. Rond drie uur ‘s nachts werd hij nog even wakker van een schreeuw die van een jongetje leek te komen, maar de rest van de nacht sliep hij als een tulp.
De zon kroop langzaam door het bladerdak van het Helsdieperwoud, over de brug richting het dorp, om half negen kwam ze aan bij het raam van Harrie II. Hij werd wakker van het gekriebel dat de zonnestralen veroorzaakte en stond direct op. Hij poetste zijn tanden met het water uit de dakrand van de kerk, en trok een schone mantel aan. Toen hij even later de trap afviel zag hij dat Prostaatus bezoek had. Hij strompelde het schip van de kerk binnen en Prostaatus riep vanachter de wacht die voor hem stond; ‘Harrie, zou ge heel even tijd vrij kunnen maken, deze beste man heeft je wat te vragen.’
Harrie kreunde nogmaals en liep naar de wacht toe. Germpie, want zo heette hij, had kennelijk wat vragen voor Harrie II, hem werd namelijk gevraagd of ie even op de trappen voor het altaar wilde komen zitten. ‘Zo Herrie’ begon Germpie, ‘raad eens wat er vannacht is gebeurd’ Harrie dacht even na en antwoordde toen ‘de post is te vroeg gekomen?’ Germpie zuchtte lang en diep, ‘Nee jongen vannacht is er een jongen van ongeveer jou leeftijd bruut aangevallen met een theedoek.’ Hij schraapte even zijn keel en vervolgde toen ‘rond de klok van drieën vannacht is Onno Zulle zo lang geslagen met een theedoek totdat hij het bewustzijn verloor.’ ‘Wat hebben wij daar dan mee te maken’ vroeg Prostaatus op een inbrekende toon. ‘Wat jullie er mee te maken hebben? Jullie hebben er alles mee te maken, kijk eens naar de theedoek die ter plaatse is gevonden!’ Harrie zag het meteen, het was één van de doeken waarmee hij gisteren de rotzooi had opgeruimd. Die smeerlap van een Stads Gek moest hem wel meegenomen hebben. Harrie zag echter ook meteen het tweede probleem, als hij Stads Gek verlinkte zou die natuurlijk naar de wacht stappen met het verhaal over het bloed in de achterkamer van de kerk. En dan zouden ze pas echt in de problemen zitten. Prostaatus wist echter niets van het voorval met Stads Gek en antwoordde dan ook naar alle eerlijkheid, ’Luister beste man, ik weet niet hoe die doek daar is gekomen, of wie Onno Zulle is. Verder kan ik ook niet geloven dat Harrie tot zo iets vreselijks in staat zou kunnen zij… alhoewel… NEE, eh, nee wij weten allebei van niets. Dus…’ hij pakte de doek uit de handen van de wacht ’geef dat maar hier, dan zal ik ervoor zorgen dat zo’n vreselijk monster nooit meer iemand mishandeld met mijn theedoeken.’ Germpie werd zichtbaar kwader en kwader door het overheersende karakter van de pastoor. ‘Meneer ik kan u hier niet zo gemakkelijk weg mee laten komen, heeft veel tijd gekost om erachter te komen van wie deze doek is, en ik laat het niet gebeuren dat we daar vervolgens niets mee bereikt hebben.’ Nu werd Prostaatus echter kwaad, ‘Muskettenlikker dat je d’r bent, er staat gewoon een adres op die theedoek, hoe kan dat zolang geduurd hebben?’ ‘De persoon die daar aan werkte is analfabeet, ja!’ sprak Germpie en verhief zijn stem ‘EN BIJ ANALFABETEN DUURT HET WAT LANGER!’ ‘NOU’ vervolgde Prostaatus ‘MISSCHIEN MOETEN JULLIE DAN VERDOMME MAAR EENS FATSOENLIJK PERSONEEL INHUREN, EN NIET DIE HALVEGARE PAARDENPRIKKER DIE JULLIE NU DAAR ACHTER DE TOONBANK HEBBEN ZITTEN!’ ‘WAT GEEFT U HET RECHT OM OVER ONS PERSONEEL TE OORDELEN!’ schreeuwde Germpie. ’WAT GEEFT U HET RECHT OM OVER MIJN THEEDOEKEN TE OORDELEN!’ brulde prostaatus, ’ga toch eierschalen in je ogen wrijven onverlaat dat ge d‘r bent, Harrie begeleid u nu naar de voordeur, en ik wil u niet meer terugzien voordat er echt bewijs op tafel ligt.’ Harrie keek naar Germpie, deze bolde helemaal op, alsof hij ging ontploffen in een zee van verwensingen. Maar het bleef stil, de wacht ademde diep uit en liep naar de deur, ’U hoort nog van ons.’ De deur viel met een klap in het slot en Prostaatus zakte ineen bij het altaar. ‘Swartzwalder kirsch, wat een gedoe’ pufte de parochiemeester.
Tijdens de avondmis zat Harrie maar wat voor zich uit te staren, al het gedoe rondom Germpie en Stads Gek beviel hem maar niets. En als ze het lijk van Wakku zouden vinden in het veld van boer Flabbel dan zouden de rapen echt aan het branden komen. Toen Harrie er weer volledig met zijn gedachten bij was sprak Prostaatus net de laatste zin van de avondmis, ‘Ook gedenken wij vandaag nogmaals Loodje, de lieve kat van Stads Gek, en de broer van Stads Gek, Dorps Gek, laten wij bidden, Amen’ en zoals bij elke mis sloeg iedereen weer met zijn hoofd tegen de kerkbanken voor zich. Nadat de laatste persoon een kaarsje had aangestoken voor de kat, en één persoon een kerkbank had aangestoken voor de lol vergrendelde Harrie II de kerkdeuren, iets wat normaal nooit gebeurde maar voor vanavond had Prostaatus het hem aangeraden, aangezien Harrie hem het verhaal over Stads Gek had verteld. Prostaatus had daarop beredeneerd dat het goed mogelijk zou zijn de Gek nogmaals zou kunnen komen om meer spullen te zoeken om de kinderen mee te straffen. Kennelijk wilde Gek, die best snugger bleek, de mishandeling van die jongen op Prostaatus en Harrie pinnen.
De rest van de week bleef het gelukkig rustig en stil in Helsdieperwaard, op Vrijdag gingen Harrie II en Prostaatus samen met een elfje en een kabouter champignons zoeken in het Helsdieperwoud en op Zaterdag werd er een klein feestje gehouden op het stadsplein omdat de aangevallen jongen weer bij bewustzijn was gekomen. Jammergenoeg had hij zijn aanvaller niet kunnen identificeren omdat deze een emmer op zijn hoofd had gehad. Wel gonsde er geruchten door het dorp dat dit wel eens één van Prostaatus’ beroemde melk-emmers zou kunnen zijn. Prostaatus verzorgde echter de melkkroketten op het feestje en iedereen was daarom in een behoorlijk vergevingsgezinde bui gestemd. Harrie sloeg het feestje gade vanuit zijn torenraam. Vanuit zijn positie kon hij precies verstaan wat er gezegd werd; ‘Ik -hips- hou wel -hips- van een lekker biertje -hips-’ ‘Haal een emmer, Bassie houd het niet lang meer binnen’ ‘Ah, gatver, Bassie, over de taart! Moest dat nu?’ Harrie keerde zich weg van het raam, en begon maar weer eens in zijn favoriete boek te lezen; ‘Wat dacht God toen hij de strontvlieg schiep?’
Het werd later en later en rond één uur hoorde hij Prostaatus thuiskomen, het werd meteen stil toen deze de grote deuren sloot, en Harrie zakte weg in een diepe slaap. Om vier uur werd hij echter ruw wakker geschud door een paniekerige Prostaatus ’Harrie, snel, kleed je aan er is iets aan de hand op het plein’ Harrie trok het eerste het beste aan wat hij kon vinden en haastte zich met Prostaatus de trap af, eenmaal buiten op het plein bleek dat er een hele menigte rond de put stond. Harrie wilde zich juist door de menigte wurmen toen deze opeens week voor de wacht. Hij zag ze meteen, twee kleine gedaantes rechtopzittend op de putrand. Zelfs van deze afstand kon hij zien dat hun ogen open waren en helemaal rood. De adertjes in hun ogen waren allemaal gesprongen. Ook hun monden stonden open, maar in plaats van een donkere holte waren deze wit vanbinnen. Harrie wilde net gaan kijken wat het was toen een man schreeuwde; ’Die klonter heeft ze verdomme vol met kaarsenvet gegoten.’ Harrie deinsde terug, de gedachte dat iemand gloeiend heet vloeibaar vet in de kelen van die jongens had gegoten vervulde hem met afschuw. Opeens werd hij van achter vast gegrepen. Prostaatus sleepte Harrie met een razende vaart de kerk in, hij sloot de deuren en hurkte tegenover de jongen. ’Harrie, we hebben een groots probleem.’ ’Hoezo’ vroeg Harrie ’wij kunnen het toch niet gedaan hebben, u was op het feest de hele nacht.’ ’Dat maakt nu verder niets uit jongen, het feest was om één uur al afgelopen, nee… het probleem is dat het kaarsenvet uit de voorraad van deze kerk komt. Harrie keek Prostaatus verschrokken aan, er werd opeens hard op de kerkdeur geslagen, Harrie wilde iets zeggen en keek weer naar Prostaatus, maar deze sloot zijn ogen.