Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.
Hoofdstuk 6. Drie kardinalen spelen tafeltennis met de edele delen van vandalen.
2,12 Januari, 1411- York, Engeland
De klap bleek echter een geluidseffect te zijn, en geen echte klap, Harrie en Prostaatus vielen langs de zijde van de bibliotheek -Noot van de schrijver: we zullen u niet meer lastig vallen met opzettelijk gemaakte spelfouten, vandaar dat bibliotheek nu weer zonder hoofdletter wordt geschreven, dank voor u medewerking- Ze vielen en Vielen, wat vrij vreemd was, aangezien de bibliotheek nooit hoger kon zijn dan een meter of twaalf. Tot Harrie merkte dat ze niet echt vielen, de afwezigheid van harde wind en het niet naderbij komen van de grond hadden hem tot deze conclusie gedreven. Het duurde even tot het tot hem doordrong dat ze in een net hingen, Prostaatus klom overeind en trok Harrie ook rechtop. Ze stonden in een vissersnet dat tussen de bibliotheek en de gebouwen aan de overkant van de straat was gespannen zonder enige vorm van nut te hebben. Harrie rende naar het gebouw aan de overkant van de straat met Prostaatus in zijn kielzog. ‘Daar zijn ze, daar zijn ze, grijp ze!’ schreeuwde de landheer van het dak van de bibliotheek. Prostaatus pakte Harrie bij zijn oog en trok hem mee, ze renden over de daken tussen de scheve schoorstenen door. Plots ging er een dakraam open, het was Kuise Kees. ‘Snel, hierin, voordat ze…’ ‘ons zien, ja, ja, ik weet het’ maakte Prostaatus zijn zin af. Ze renden de trap af en Harrie vroeg Prostaatus naar zijn seksleven, Prostaatus gaf hem een klap en ze renden verder. Vier verdiepingen lager sprak Kuise Kees bij een warm en welkom haardvuur, ‘We moeten jullie de stad uit krijgen, de Landheer en zijn mannen zullen elk huis ondersteboven en binnenstebuiten keren.’ ‘Dat is van vitaal belang’ gaf Prostaatus als antwoord, ‘Wat? Dat we alle huizen binnenstebuiten en ondersteboven keren?’ vroeg Harrie het onbenul. ‘Hier heb je een stuk houtskool jongen, ga maar kauwen’ zei Kuise Kees terwijl hij een stuk houtskool in Harrie’s mond propte. Harrie droop af, en ging bij de haard zitten opdrogen. ‘Nu dan’ sprak Prostaatus met gezag en medeleven tegelijk, ‘hoe wil je ons de stad uit krijgen Kees? Met de mannen van de Landheer op elke straathoek zal dat niet gemakkelijk zijn.’ ‘Daar hebbie gelijk in Prostaatus ouwe rukker’ zei Kees in een poging joviaal over te komen. ‘We moeten de straathoeken zien te vermijden.’ ‘Dat is niet zo eenvoudig als het lijkt’ zei Prostaatus die serieus inging op dit debiele antwoord. ‘Wacht! Ik heb het schreeuwde Harrie plots’ We verkleden ons als de wachten van de Landheer, dan vallen we niet op!’ ‘Maar hoe komen jullie aan de harnassen? Die zijn niet zomaar te vinden, Prostaatus? Wat denk jij?’ vroeg Kuise Kees. Prostaatus zei niets, maar er verscheen een gemene glimlach op zijn gezicht. ‘Wacht maar af’ sprak hij, ‘ik heb een grandioos idee.’
De nacht viel nog dieper en in het holst van de nacht holde er een schimmige gestalte door het holst van de straten. De schim besloop twee wachten die hun brood aan het poetsen waren en ging in één stap voor ze staan. ‘Wow, hé daar oude man je liet ons schrikken, onthul je zaken!’ ‘Ik kom de avondwacht zegenen jonge heren’ kraste de oude man en hij pakte een beker met een bloedrode substantie erin. ‘Drink hiervan, en uw zonden worden verlost!’ De oude man leek te groeien en zijn stem werd krachtiger, ‘Drink hiervan en jullie zullen de echte kracht van de heilige kerk aanschouwen!’ De eerste wacht pakte de beker en nam een slok, hij gaf de beker aan de tweede man, deze wilde er net van drinken toen hij zijn vriend zag neervallen, hij wilde de beker weggooien maar de oude man sloeg de beker uit zijn handen, de rode vloeistof vloog in zijn gezicht. Hij krijste het uit en keek naast zich, dan andere wacht leek te branden, alleen was er geen vuur, hij schroeide en schokte en zijn huid werd zwart, de blaren kwamen op maar spatten open en verzanden in as, de wacht viel als los zand uit elkaar. De andere wacht wreef in zijn gezicht en keek naar zijn handen, hij zag de huid opbollen, als een blaasje zich vullen met bloed en nog voor de blaasjes klapte verdween zijn zicht en voelde hij zijn borstkas openen. Ook hij viel uiteen. De schimmige man, liet een schelle schreeuw horen en vloog de nacht in, zijn zwarte gewaad wapperend in de wind. Hij was net weg toen Prostaatus gewapend met een grote fles melk de hoek om kwam, hij was van plan de wachten te verdoven, maar hij trof enkel de harnassen aan. Hij keek driemaal om zich heen, niet meer en wel minder, en nam de harnassen mee.
De bel die aangaf dat er iemand door de deur naar binnenkwam rinkelde, en Harrie II en Kuise Kees doken achteloos achter de bar terwijl Kees tijdens de sprong pijlen op zijn kruisboog spande. Gelukkig bleek het slechts Prostaatus te zijn die met de Harnassen onder zijn gewaad naar binnen kwam geschuifeld, Kees legde de kruisboog tussen de aardappelen en stond op. ‘Prostaatus beste vriend, hoe ging het?’ ‘Ik heb ze beste kameraden!’ riep Prostaatus uit volle borst en Kuise Kees begon het volkslied te zingen. Harrie maande hem tot stilte en ze gingen gezamenlijk rond een door kaarslicht verschroeide tafel zitten. ‘Oké, nu wat is het plan’ vroeg Kuise Kees, die zich tegelijk bedacht dat hij eigenlijk twee wildvreemden aan het helpen was met gevaar voor eigen leven. Prostaatus zei iets maar Kuise Kees kreeg het niet mee, hij dacht aan het feit dat hij twee voortvluchtige onderdak aan het bieden was, hij kon dit niet langer toestaan, hij moest ingrijpen. Hij moest dit aan Harm de Vijfde vertellen, of aan Kolonel Kololel. Maar nee, dat was ook niet de juiste oplossing, dan zou de familie van Prostaatus hem nooit meer aankijken, en de achterneef van Prostaatus had wel eens wat zout van hem geleend, wat zou die wel niet denken als hij Prostaatus aangaf. Nee, hij moest het juiste doen, maar wat was het juiste, wat moest hij doen, hij kon ze niet langer verbergen, de wachten zouden te snel een zoektocht starten, hij kon ze ook niet de stad uit smokkelen, als hij gezien werd was zijn leven voorbij, hij zou dan voor de rest van zijn dagen de teennagels van psychiatrische patiënten moeten knippen. Hij zou in de cel gesmeten worden. Maar als hij ze aangaf dan betoonde hij respect voor de Landheer, en die kon hij niet uitstaan. Ook zou hij dan niets krijgen van Harrie’s erfenis, het grote Broedervisbek fortuin, hij zou het helemaal mislopen, hij had de ouders van Harrie nooit ontmoet, maar de kans bestond dat ze hem toch geld zouden nalaten, om de een of andere onlogische reden. Hij moest ze wel helpen, nee, hij moest ze aangeven, nee, helpen, aangeven, helpen, aangeven, hel-
“SPRATSCH”
Kuise Kees viel dood neer met een pijl in zijn neus. Hij was opgestaan van de tafel, met de tegenstrijdige gedachten als een slagveld in zijn hoofd. Hij had de kruisboog van achter de bar gepakt en zichzelf door de neus geschoten. De pijl was door de achterkant van zijn hoofd gebroken en Prostaatus en Harrie werden rijkelijk besproeid met stukjes schedel en het bloed dat met hoge druk uit de opengerukte aders van zijn achterhoofd spoot. Prostaatus keek Harrie aan, Harrie haalde een stuk schedel uit zijn oog en keek naar buiten, ‘Meneer, ik zie toortsen in de verte, ik denk dat de zoektocht is begonnen.’ Prostaatus draaide zich om, sloeg zijn hoofd door het raam en keek naar buiten, ‘Verbliksemd, je hebt gelijk jongen, we moeten maken dat we wegkomen!’ ‘Waarom dat meneer, we kunnen Kees hier toch niet zo achterlaten?’ ‘We zullen wel moeten jongen, denk nu eens een keer na, wat zou er gebeuren als de wachten ons hier aantroffen, met het lijk van een maagdelijke barman die een pijl door zijn hersenen heeft steken?’ Harrie dacht diep na over het antwoord, hij woog alles tegen elkaar af en sprak, ‘necrofilie?’ Prostaatus kon de slecht getimede grap niet waarderen en trok Harrie II ruw naderbij. ‘Luister, Harrie, we gaan nu weg, pak een harnas.’ Harrie knikte Prostaatus liet hem los en ze trokken beiden een harnas aan. Prostaatus sloeg zijn hoofd door de deur en maakte hem open met de klink. Hij keek om de hoek, en gebaarde naar Harrie dat de kust veilig was. Harrie had op dat moment echt meer aandacht voor een stukje hersenen dat aan het uiteinde van de pijl in Kees’ hoofd hing. Prostaatus sleepte hem mee naar buiten en zette hem in een zijstraatje op een krat met radijsbijen, ‘Oké, even goed opletten nu Harrie, je blijft vlak achter me, en probeert je te gedragen als een wacht, begrepen?’ ‘Ja meneer, helemaal!’ zei Harrie, en hij sprong van de kist.
Ze slopen door de straten van York, op weg naar de stadspoort. Prostaatus deed alsof hij een kruisboog had, en maakte al schietgeluiden sissend, koprollen door de straat. Harrie liep soppend achter hem, het duurde een tijdje voor hij merkte dat de wacht wiens laarzen hij droeg kennelijk een blaas probleem had gehad, en nadat hij de urine uitgegoten had in een greppel, liep hij snel achter Prostaatus aan. Ze kwamen in de buurt van de stadspoort, al twee keer waren ze bijna betrapt door een wacht, en nu stonden ze vanuit een steegje tussen twee hevig concurrerende slagers in. Prostaatus keek om de hoek naar de poort, ’Hij is gesloten Harrie, twee wachten staan er op wacht.’ Harrie gluurde onder Prostaatus’ okselholtes door naar de wachtende wachten. ’Puh, die kunnen we makkelijk aan meneer, die linkse is al minstens zestig.’ ’Neen Harrie, we zullen ze zonder gebruik van onze verwoestende krachten passeren, we hebben al genoeg slachtoffers op onze naam staan.’ Harrie mompelde iets in het hebreeuws en bedacht toen een slim plan, ’wacht meneer, ik heb het.’ Hij dook de steeg in en Prostaatus keek hem niet aan, want Harrie had zijn rug naar hem toegekeerd. Al snel kwam Harrie terug met een steen. ’Kijk meneer, ik gooi hem en dan zullen de wachten afgeleid worden door het geluid, ze zullen gaan kijken en dan kunnen wij snel langs glippen.’ ’Wie zegt dat ze allebei gaan kijken Harrie?’ Harrie dacht even na over deze logische vraag en sprak toen: ’Niemand meneer.’ Hij gooide de steen. Hij mikt echter verkeerd en de steen belande precies tussen de twee wachten in. ’Nu heb je het dus mooi verprutst jongen’ sprak Prostaatus zelfvoldaan. De wachten keken echter beiden naar de steen, en toen sprak er één, ’Wel heb ik ooit, wat denk je Bies, zou dat een echte steen zijn.’ De andere wacht keek hem aan en zei, ’Het is gewoon een steen Egbert, laat het met rust, niets bijzonders. Egbert keek geboeid naar de stilliggende steen, deze bewoog niet, en bleef roerloos liggen. Egbert sprak, ’Ik vind hem toch wel mooi, ik denk dat ik hem mee naar huis ga ne-’ Bies dook op de steen, ’Hij is van mij, ik zag hem het eerst!’ ’Bies, jij verraderlijke klufter, kom hier met die steen, die is van mij, VAN MIJ ZEG IK JE!’ Egbert dook bovenop Bies en ze vochten op de koude grond om de steen. Bies sloeg Egbert met een metalen handschoen in het gezicht, en Egbert’s tanden vlogen tezamen met honderden druppeltjes bloed in het rond, Egbert trok zij zwaard uit z’n schede, en liet het neerkomen op Bies’ been, het sneed dwars door het leer heen en Bies schreeuwde het uit terwijl Egbert het zwaard nogmaals optilde, Bies trapte hem echter met zijn goede been in zijn maag en Egbert liet zijn zwaard vallen, hij kreeg het handvat op zijn gezicht en zijn neus brak. Harrie viel flauw door de geur van Prostaatus oksel. Bies trok zijn mes en stak het in Egberts buik. Egbert kermde het uit en schopt zijn metalen laarspunt onder het maliënkolder van Bies, deze voelde zijn buik open scheuren en stak het mes in Egberts oog. Prostaatus probeerde Harrie bij te brengen met water uit de plassen in de steeg. Egbert trok het mes uit zijn oog en wilde net Bies nogmaals schoppen toen hij de snede van zijn eigen zwaard aan zag komen, Bies hakte in op Egberts nek, en deze voelde zijn huid scheuren. Bies hakte een keer extra hard en Egberts hoofd viel achterover, enkel nog vastzittend met wat spieren en huid. Bies stond op en tilde zijn maliënkolder op, hij keek naar zijn open buikwond en zag dat een van zijn darmen eruit hing, hij viel bewusteloos neer. Prostaatus knipte met zijn vingers, Harrie II werd wakker en stond op, hij keek Prostaatus met grote ogen aan, maar deze pakte Harrie op en snelde naar de poort, hij stopte bij het lijk en Bies en zette Harrie neer, hij pakte snel de mooie steen, riep naar Harrie duwde de deur in de poort open en ze begonnen te rennen. Prostaatus stopte pas met rennen bij de eerste kruising, hij ging aan de rand van het pad zitten. Harrie stopte pas met rennen bij de tweede kruising en moest het hele einde terug lopen. Prostaatus ademde flink door en keek naar het bord aan de overzijde van de kruising. “Londen” die richting moesten ze op. Hij wachtte en tijdje tot Harrie er ook weer was en wees toen op het bord, ‘koude soep meneer?’ vroeg Harrie. ‘Nee Harrie het andere bord.’ Hij wees nogmaals, nu wel naar het juiste bord, ‘Ah, Londen, wat gaan we daar doen meester?’ ‘Niets jongen, als het goed is komen we daar niet eens, maar dat is wel de richting die we op moeten. Maar kom, we lopen nog een tijdje door en gaan dan slapen langs de weg. Dan kunnen we zodra de zon op komt meteen op weg.’ Harrie stemde in, en nadat ze een poosje gelopen hadden zochten ze een mooie slaapplaats onder de doornstruiken aan de linkerzijde van de weg. Als snel vielen ze in slaap, in York werd er echter door velen niet geslapen die nacht. De landheer was aangekomen en paste nu niet meer in zijn lievelingsharnas, zijn stemming was dus niet al te best. Kololel was echter teruggegaan naar Helsdieperwaard om daar alles in de gaten te houden, Harm de Vijfde was echter wel in York gebleven en moest nu het geklaag van de Landheer aanhoren. Deze stond naast de stadhouder van York, een oude kameraad van de Landheer en iemand die maar al te graag aan vriendjespolitiek deed met zijn politieke vrienden en kennissen. ‘Ik zal ze vinden Slakdarm, daar kun je zeker van zijn, al moet ik deze hele stad persoonlijk doorzoeken.’ ‘Weet u beste Landheer, kameraad en politiek gezelschap, dat ik uw aanwezigheid eigenlijk niet heel erg op prijs stel, overmorgen komt het koninklijke parlement hier zetelen, en is er de inwijding van de nieuwe Aartsbisschop. Ik heb u en uw leger van infantielen daar liever niet bij.’ Harm de Vijfde wilde protesteren tegen het feit dat hij het “leger” werd genoemd, maar de Landheer was hem te vlug af. ’Tegen die tijd hoop ik hier anders allang weer weg te zijn, het is namelijk zo dat ik-’ ‘MIJNHEER!’ Een slechtnieuwsbrenger kwam binnengestormd op een windvlaag, ’Mijne Heren, er is nieuws dat uw oren moeten beluisteren, er is één dode wacht, één zwaar gewonde wacht, en twee wachten missen we!’ ’WAT, HOE IS DIT MOGELIJK!?’ schoot Harm uit zijn slof, ‘Wat is er met mijn mannen gebeurt?’ ‘Ik weet het niet!’ riep de slechtnieuwsbrenger, ‘Ik heet slechtnieuwsbrenger, ik ben een onbelangrijk personage dat of dood gaat of niet meer voorkomt in het verhaal, waarom zou ik zulke belangrijke informatie weten, dat zou totaal onlogisch zijn!’ ’Hmmpf, breng ons bij de gewonde wacht, nieuwsbrenger!’ beval de Landheer in een duet met de Stadhouder van York. De Nieuwsbrenger haastte zich met het gezelschap van drie naar de ziekenboeg, daar aangekomen waren de verplegers net de uitstekende darmen aan het wassen. Ze gingen rond zijn bed staan, maar beseften al snel dat hij op de eikenhouten ongeschuurde operatietafel lag. De Landheer liep snel naar hem toe en stelde de onlogische vraag, ‘wat is er niet gebeurt?’ Bies de gewonde wacht vertelde een heel verhaal, en na drie uur vroeg Harm eindelijk, ‘Wat is er gebeurt, wie heeft je aangevallen?’ ‘Het was de steen Heer, de steen, hij overviel me met zijn glinstering, met zijn pracht, met zijn hardheid en stenige karakter. Hij was prachtig, maar Egbert wilde hem ook hebben, maar de steen hield van mij en niet van hem, ik zweer het. De steen hield van mij. Egbert werd jaloers, en gemeen, er was een worsteling, maar daar zijn we niet heen gegaan, wij vochten voor de poort om de steen, waar is ie?! Waar is de steen, wie heeft hem, heb jij hem?’Hij keek Harm aan met een wilde blik in zijn ogen. ‘Jij, jij hebt de steen, hij is niet van jou, HIJ IS VAN MIJ, HIJ HOUDT VAN MIJ HIJ- erschll’ De landheer trok zijn zwaard uit de keel van Bies, Harm veegde het bloed van zijn voorhoofd en vroeg, ‘Waarom deed u dat mijn heer?’ ‘Daar kwam geen zinnig woord meer uit, en door zijn gestuntel met die steen zijn Prostaatus en die jongen vast en zeker ontsnapt, slechtnieuwsbrenger!’ ‘Ja heer, wat is er?’ ‘Kom hier!’ De slechtnieuwsbrenger kwam tussen de Landheer en Harm instaan, ‘Ja sire?’ ‘Vertel mij, nieuwsbrenger, stond de poort open toen de lichamen gevonden werden?’ ‘Ja meester, die waren niet gesloten, dat klopt, U denkt toch niet, U denkt toch niet dat!?’ ‘Jawel dat denk ik wel!’ sprak de Landheer, ‘Die jongen en die acroba-, eh, priester zijn hem gesmeerd, ze zijn weer door de mazen van onze naalden gekropen, ze hebben ons weer het aankijken gegeven, ze zijn ons VERDOMME weer te slim weggeweest, ik zal ze, IK ZAL ZE KRIJGEN, snel geef me iets om kapot te breken!’ Harm overhandigde de Landheer een tafel, en de Landheer kneep hem tot stof. ‘WRAAHHH! IK HAAT ZE, IK HAAT ZE, IK HAAT ZE!’ Hij kneep met een oog en ontwikkelde spontaan een zenuwtrek. ‘HARM! Verman je zamelen, en stoert een zaktocht!’ ‘Jawel Heer.’ Harm verliet het vertrek met een huppelsprong en greep een mandje om met bloemen te strooien. ‘Stadhouder, hebt u vertrouwen in mij? STADHOUDER!’ De stadhouder schrok en stopte met het porren van de darmen van Bies met een tak. ‘Excuses vriend, maar ja, u hebt mijn vertrouwen.’ ‘Mooi, ik wil dat je de stad doorzoekt, de vogels zijn waarschijnlijk al verzopen, maar voor het geval dat ze hier nog zijn wil ik een volledige controle van de stad hebben, sluit alle poorten af, en stuur bericht naar Kololel, hij moet de wachten te paard sturen, ik heb ze nodig om het land af te zoeken.’ ‘Jawel politieke kornuit, komt voor de bakker.’ De stadhouder knipoogde naar de Landheer, porde nog een paar keer tegen de darmen van Bies en vertrok. De landheer ging op het bed van het lijk van Bies zitten. Hij wist dat hij die twee te pakken moest krijgen voor ze zijn geheim ontdekten en de waarheid boven water deden komen. Hij stond ook op, en liep naar de deur, halverwege bedacht hij zich, liep terug pakte de tak van de grond en begon tegen de darmen van Bies te duwen. Hij grinnikte in zichzelf.
Harrie werd wakker van de zonnestralen en ging rechtop zitten. Een grote vergissing, de doornen van de struik boorden zich in zijn huid en hij schreeuwde het uit, íemand pakte hem bij zijn voeten en trok hem op zijn rug onder de struiken uit. Het was Prostaatus, en ook zijn gezicht zat onder de sneetjes en schrammen. Gelukkig waren het bij Prostaatus sneden brood, hij had namelijk brood “geleend” bij een nabij gelegen boerderij, en had twee sneeën zonder duidelijke reden aan zijn voorhoofd bevestigd. ‘Goedemorgen Harrie, ben je klaar voor een nieuwe dag, hier eet dit brood’ hij trok een snee van zijn voorhoofd, ‘we hebben een lange trip voor de boeg vandaag dus het lijkt met het beste dat we zo snel mogelijk vertrekken.’ Harrie at zijn brood en dronk uit een beekje naast het pad. En nadat Prostaatus thee had getrokken van boomschors, en Harrie water had verwarmd door het op te drinken en daarna weer op te braken, gingen ze op pad. Prostaatus had een grote stok gevonden, en die gebruikte hij nu als wandelstok. Harrie had een kleine stok gevonden en hij gebruikte die om mee in zijn oren te peuteren. Ze liepen een hele tijd door het prachtige Britse landschap, en scholen gezamenlijk onder een eikenboom toen het begon te regenen. Het weer was onnatuurlijk warm voor de periode van het jaar, er was in de afgelopen twee maanden geen vlokje sneeuw gevallen. Harrie en Prostaatus hadden net een discussie over ingegroeide teennagels toen Harrie hoeven in de verte hoorde, hij trok het stokje uit zijn oor en luisterde nog eens. Hij bleef staan. ’Wat is er Harrie?’ Vroeg Prostaatus onnatuurlijk joviaal. ’Hoeven’ fluisterde Harrie, 'en niet ver hier vandaan.' Hij ging op de grond liggen en duwde zijn neus in de modder. Hij stond weer op, likte de modder weg, en zei, ’Er komen twintig ruiters deze kant op. Goed bewapend en op grote stevige knollen. Ik ben bang dat ze voor ons komen meneer.’ Prostaatus' humeur sloeg om, zijn optimistische stemming verdween even snel als ze op was komen zetten. ’We moeten van de weg geraken Harrie, en snel want als ze ons zien zijn de rapen het gaarst.’ Harrie schudde van ja, en ze liepen het struikgewas in, al snel kon Prostaatus de hoeven ook horen, ze durfden echter niet te ver het bos in te gaan, en bleven dus verborgen op ongeveer honderd meter van de weg. Het begon te waaien en niet lang daarna brak de hemel open en stortte het water naar beneden. Ze gingen onder een boom staan achter een groep struiken, met voor hen de weg en achter hen een aarden wal, de hoeven kwamen dichterbij, de regen werd nog heviger. Ze zagen de ruiters in de verte aankomen. Het staal van de harnassen kletterend in de regen. Harrie voelde opeens wel veel nattigheid aan zijn voeten, hij keek omlaag en zag dat hij in minstens veertig centimeter water stond, hij draaide zich om en zag het probleem, de aarde wal was op aan het bollen, Harrie beklom hem snel en keek over de rand, achter de wal lag een meertje, het beekje dat in het meertje stroomde leek echter niet meer op een beekje maar op een grote kraan. Het water spoot in het meer en Harrie kon het waterpeil bijna zien stijgen, opeens zakte zijn voet weg in de losser wordende grond en hij gleed omlaag, hij kwam onder het water terecht, en nog voor hij op kon staan schoof er een grote klomp modder over hem heen, hij probeerde zich vrij te maken, maar het lukte niet, de modder zoog hem tegen de bodem. Opeens voelde hij een hand, hij greep hem en Prostaatus trok hem boven de modder uit. ‘Christus Harrie, de wal gaat het begeven we moeten hier weg!’ Harrie keek naar de weg, de ruiters waren hen nu bijna gepasseerd, maar toen begaf de aarde wal het, Prostaatus en Harrie werden meegesleurd door de stroom van modder en water, en raasden door het bos naar het pad toe. De ruiters hielden halt en keken naar de bruine golf die op ze af kwam, Harrie greep naar een boom maar mistte, de tweede was echter wel raak, alleen dan onbedoeld, hij werd er vol tegenop gesmeten. Aan een luide kreet te horen was Prostaatus hetzelfde gebeurd. De wachten hadden hen gespot, maar ze moesten wijken voor het water. De achterhoede was echter niet meer in staat om te wijken er werd overweldigd door het water, en meegesleurd naar de andere kant van de weg, die eindigde in een ravijn van tweehonderd meter diep. Harrie en Prostaatus hielden uit alle macht vast. Zo nu en dan hoorden ze kreten van wachten die meegesleurd en weggetrokken werden. Opeens hield Harrie het niet meer, hij vloog om de boom heen en raasde met de stroom mee naar de weg. Prostaatus zag het gebeuren en liet ook los, hij zwom mee op de stroom en greep Harrie vast, ze belanden in de struiken bij de rand van de weg, het ravijn was nog geen tien meter verderop. Harrie dacht dat hun situatie niet kon verslechteren toen er opeens een pijl aangevlogen kwam, de wachter die niet door het water meegesleurd waren stond naast de breuk op de wal en schoten pijlen naar de jongen en de parochie meester. De struik begon het ook te begeven. Takje voor takje sleet door op de kracht van het water, twee pijlen schoten nog rakelings langs de twee metgezellen heen toen de struiken met wortels en al uit de grond werden gerukt. Harrie keek naar het ravijn, het kwam snel dichterbij, ze vlogen over de straat heen, de tijd leek stil te staan toen de rand in zicht kwam, ze scheerden door de laatste bosjes aan de overkant van de weg, en toen gingen ze omlaag, de diepte in.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten