dinsdag 26 augustus 2008

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk VI

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 6. Drie kardinalen spelen tafeltennis met de edele delen van vandalen.

2,12 Januari, 1411- York, Engeland

De klap bleek echter een geluidseffect te zijn, en geen echte klap, Harrie en Prostaatus vielen langs de zijde van de bibliotheek -Noot van de schrijver: we zullen u niet meer lastig vallen met opzettelijk gemaakte spelfouten, vandaar dat bibliotheek nu weer zonder hoofdletter wordt geschreven, dank voor u medewerking- Ze vielen en Vielen, wat vrij vreemd was, aangezien de bibliotheek nooit hoger kon zijn dan een meter of twaalf. Tot Harrie merkte dat ze niet echt vielen, de afwezigheid van harde wind en het niet naderbij komen van de grond hadden hem tot deze conclusie gedreven. Het duurde even tot het tot hem doordrong dat ze in een net hingen, Prostaatus klom overeind en trok Harrie ook rechtop. Ze stonden in een vissersnet dat tussen de bibliotheek en de gebouwen aan de overkant van de straat was gespannen zonder enige vorm van nut te hebben. Harrie rende naar het gebouw aan de overkant van de straat met Prostaatus in zijn kielzog. ‘Daar zijn ze, daar zijn ze, grijp ze!’ schreeuwde de landheer van het dak van de bibliotheek. Prostaatus pakte Harrie bij zijn oog en trok hem mee, ze renden over de daken tussen de scheve schoorstenen door. Plots ging er een dakraam open, het was Kuise Kees. ‘Snel, hierin, voordat ze…’ ‘ons zien, ja, ja, ik weet het’ maakte Prostaatus zijn zin af. Ze renden de trap af en Harrie vroeg Prostaatus naar zijn seksleven, Prostaatus gaf hem een klap en ze renden verder. Vier verdiepingen lager sprak Kuise Kees bij een warm en welkom haardvuur, ‘We moeten jullie de stad uit krijgen, de Landheer en zijn mannen zullen elk huis ondersteboven en binnenstebuiten keren.’ ‘Dat is van vitaal belang’ gaf Prostaatus als antwoord, ‘Wat? Dat we alle huizen binnenstebuiten en ondersteboven keren?’ vroeg Harrie het onbenul. ‘Hier heb je een stuk houtskool jongen, ga maar kauwen’ zei Kuise Kees terwijl hij een stuk houtskool in Harrie’s mond propte. Harrie droop af, en ging bij de haard zitten opdrogen. ‘Nu dan’ sprak Prostaatus met gezag en medeleven tegelijk, ‘hoe wil je ons de stad uit krijgen Kees? Met de mannen van de Landheer op elke straathoek zal dat niet gemakkelijk zijn.’ ‘Daar hebbie gelijk in Prostaatus ouwe rukker’ zei Kees in een poging joviaal over te komen. ‘We moeten de straathoeken zien te vermijden.’ ‘Dat is niet zo eenvoudig als het lijkt’ zei Prostaatus die serieus inging op dit debiele antwoord. ‘Wacht! Ik heb het schreeuwde Harrie plots’ We verkleden ons als de wachten van de Landheer, dan vallen we niet op!’ ‘Maar hoe komen jullie aan de harnassen? Die zijn niet zomaar te vinden, Prostaatus? Wat denk jij?’ vroeg Kuise Kees. Prostaatus zei niets, maar er verscheen een gemene glimlach op zijn gezicht. ‘Wacht maar af’ sprak hij, ‘ik heb een grandioos idee.’
De nacht viel nog dieper en in het holst van de nacht holde er een schimmige gestalte door het holst van de straten. De schim besloop twee wachten die hun brood aan het poetsen waren en ging in één stap voor ze staan. ‘Wow, hé daar oude man je liet ons schrikken, onthul je zaken!’ ‘Ik kom de avondwacht zegenen jonge heren’ kraste de oude man en hij pakte een beker met een bloedrode substantie erin. ‘Drink hiervan, en uw zonden worden verlost!’ De oude man leek te groeien en zijn stem werd krachtiger, ‘Drink hiervan en jullie zullen de echte kracht van de heilige kerk aanschouwen!’ De eerste wacht pakte de beker en nam een slok, hij gaf de beker aan de tweede man, deze wilde er net van drinken toen hij zijn vriend zag neervallen, hij wilde de beker weggooien maar de oude man sloeg de beker uit zijn handen, de rode vloeistof vloog in zijn gezicht. Hij krijste het uit en keek naast zich, dan andere wacht leek te branden, alleen was er geen vuur, hij schroeide en schokte en zijn huid werd zwart, de blaren kwamen op maar spatten open en verzanden in as, de wacht viel als los zand uit elkaar. De andere wacht wreef in zijn gezicht en keek naar zijn handen, hij zag de huid opbollen, als een blaasje zich vullen met bloed en nog voor de blaasjes klapte verdween zijn zicht en voelde hij zijn borstkas openen. Ook hij viel uiteen. De schimmige man, liet een schelle schreeuw horen en vloog de nacht in, zijn zwarte gewaad wapperend in de wind. Hij was net weg toen Prostaatus gewapend met een grote fles melk de hoek om kwam, hij was van plan de wachten te verdoven, maar hij trof enkel de harnassen aan. Hij keek driemaal om zich heen, niet meer en wel minder, en nam de harnassen mee.
De bel die aangaf dat er iemand door de deur naar binnenkwam rinkelde, en Harrie II en Kuise Kees doken achteloos achter de bar terwijl Kees tijdens de sprong pijlen op zijn kruisboog spande. Gelukkig bleek het slechts Prostaatus te zijn die met de Harnassen onder zijn gewaad naar binnen kwam geschuifeld, Kees legde de kruisboog tussen de aardappelen en stond op. ‘Prostaatus beste vriend, hoe ging het?’ ‘Ik heb ze beste kameraden!’ riep Prostaatus uit volle borst en Kuise Kees begon het volkslied te zingen. Harrie maande hem tot stilte en ze gingen gezamenlijk rond een door kaarslicht verschroeide tafel zitten. ‘Oké, nu wat is het plan’ vroeg Kuise Kees, die zich tegelijk bedacht dat hij eigenlijk twee wildvreemden aan het helpen was met gevaar voor eigen leven. Prostaatus zei iets maar Kuise Kees kreeg het niet mee, hij dacht aan het feit dat hij twee voortvluchtige onderdak aan het bieden was, hij kon dit niet langer toestaan, hij moest ingrijpen. Hij moest dit aan Harm de Vijfde vertellen, of aan Kolonel Kololel. Maar nee, dat was ook niet de juiste oplossing, dan zou de familie van Prostaatus hem nooit meer aankijken, en de achterneef van Prostaatus had wel eens wat zout van hem geleend, wat zou die wel niet denken als hij Prostaatus aangaf. Nee, hij moest het juiste doen, maar wat was het juiste, wat moest hij doen, hij kon ze niet langer verbergen, de wachten zouden te snel een zoektocht starten, hij kon ze ook niet de stad uit smokkelen, als hij gezien werd was zijn leven voorbij, hij zou dan voor de rest van zijn dagen de teennagels van psychiatrische patiënten moeten knippen. Hij zou in de cel gesmeten worden. Maar als hij ze aangaf dan betoonde hij respect voor de Landheer, en die kon hij niet uitstaan. Ook zou hij dan niets krijgen van Harrie’s erfenis, het grote Broedervisbek fortuin, hij zou het helemaal mislopen, hij had de ouders van Harrie nooit ontmoet, maar de kans bestond dat ze hem toch geld zouden nalaten, om de een of andere onlogische reden. Hij moest ze wel helpen, nee, hij moest ze aangeven, nee, helpen, aangeven, helpen, aangeven, hel-
“SPRATSCH”
Kuise Kees viel dood neer met een pijl in zijn neus. Hij was opgestaan van de tafel, met de tegenstrijdige gedachten als een slagveld in zijn hoofd. Hij had de kruisboog van achter de bar gepakt en zichzelf door de neus geschoten. De pijl was door de achterkant van zijn hoofd gebroken en Prostaatus en Harrie werden rijkelijk besproeid met stukjes schedel en het bloed dat met hoge druk uit de opengerukte aders van zijn achterhoofd spoot. Prostaatus keek Harrie aan, Harrie haalde een stuk schedel uit zijn oog en keek naar buiten, ‘Meneer, ik zie toortsen in de verte, ik denk dat de zoektocht is begonnen.’ Prostaatus draaide zich om, sloeg zijn hoofd door het raam en keek naar buiten, ‘Verbliksemd, je hebt gelijk jongen, we moeten maken dat we wegkomen!’ ‘Waarom dat meneer, we kunnen Kees hier toch niet zo achterlaten?’ ‘We zullen wel moeten jongen, denk nu eens een keer na, wat zou er gebeuren als de wachten ons hier aantroffen, met het lijk van een maagdelijke barman die een pijl door zijn hersenen heeft steken?’ Harrie dacht diep na over het antwoord, hij woog alles tegen elkaar af en sprak, ‘necrofilie?’ Prostaatus kon de slecht getimede grap niet waarderen en trok Harrie II ruw naderbij. ‘Luister, Harrie, we gaan nu weg, pak een harnas.’ Harrie knikte Prostaatus liet hem los en ze trokken beiden een harnas aan. Prostaatus sloeg zijn hoofd door de deur en maakte hem open met de klink. Hij keek om de hoek, en gebaarde naar Harrie dat de kust veilig was. Harrie had op dat moment echt meer aandacht voor een stukje hersenen dat aan het uiteinde van de pijl in Kees’ hoofd hing. Prostaatus sleepte hem mee naar buiten en zette hem in een zijstraatje op een krat met radijsbijen, ‘Oké, even goed opletten nu Harrie, je blijft vlak achter me, en probeert je te gedragen als een wacht, begrepen?’ ‘Ja meneer, helemaal!’ zei Harrie, en hij sprong van de kist.
Ze slopen door de straten van York, op weg naar de stadspoort. Prostaatus deed alsof hij een kruisboog had, en maakte al schietgeluiden sissend, koprollen door de straat. Harrie liep soppend achter hem, het duurde een tijdje voor hij merkte dat de wacht wiens laarzen hij droeg kennelijk een blaas probleem had gehad, en nadat hij de urine uitgegoten had in een greppel, liep hij snel achter Prostaatus aan. Ze kwamen in de buurt van de stadspoort, al twee keer waren ze bijna betrapt door een wacht, en nu stonden ze vanuit een steegje tussen twee hevig concurrerende slagers in. Prostaatus keek om de hoek naar de poort, ’Hij is gesloten Harrie, twee wachten staan er op wacht.’ Harrie gluurde onder Prostaatus’ okselholtes door naar de wachtende wachten. ’Puh, die kunnen we makkelijk aan meneer, die linkse is al minstens zestig.’ ’Neen Harrie, we zullen ze zonder gebruik van onze verwoestende krachten passeren, we hebben al genoeg slachtoffers op onze naam staan.’ Harrie mompelde iets in het hebreeuws en bedacht toen een slim plan, ’wacht meneer, ik heb het.’ Hij dook de steeg in en Prostaatus keek hem niet aan, want Harrie had zijn rug naar hem toegekeerd. Al snel kwam Harrie terug met een steen. ’Kijk meneer, ik gooi hem en dan zullen de wachten afgeleid worden door het geluid, ze zullen gaan kijken en dan kunnen wij snel langs glippen.’ ’Wie zegt dat ze allebei gaan kijken Harrie?’ Harrie dacht even na over deze logische vraag en sprak toen: ’Niemand meneer.’ Hij gooide de steen. Hij mikt echter verkeerd en de steen belande precies tussen de twee wachten in. ’Nu heb je het dus mooi verprutst jongen’ sprak Prostaatus zelfvoldaan. De wachten keken echter beiden naar de steen, en toen sprak er één, ’Wel heb ik ooit, wat denk je Bies, zou dat een echte steen zijn.’ De andere wacht keek hem aan en zei, ’Het is gewoon een steen Egbert, laat het met rust, niets bijzonders. Egbert keek geboeid naar de stilliggende steen, deze bewoog niet, en bleef roerloos liggen. Egbert sprak, ’Ik vind hem toch wel mooi, ik denk dat ik hem mee naar huis ga ne-’ Bies dook op de steen, ’Hij is van mij, ik zag hem het eerst!’ ’Bies, jij verraderlijke klufter, kom hier met die steen, die is van mij, VAN MIJ ZEG IK JE!’ Egbert dook bovenop Bies en ze vochten op de koude grond om de steen. Bies sloeg Egbert met een metalen handschoen in het gezicht, en Egbert’s tanden vlogen tezamen met honderden druppeltjes bloed in het rond, Egbert trok zij zwaard uit z’n schede, en liet het neerkomen op Bies’ been, het sneed dwars door het leer heen en Bies schreeuwde het uit terwijl Egbert het zwaard nogmaals optilde, Bies trapte hem echter met zijn goede been in zijn maag en Egbert liet zijn zwaard vallen, hij kreeg het handvat op zijn gezicht en zijn neus brak. Harrie viel flauw door de geur van Prostaatus oksel. Bies trok zijn mes en stak het in Egberts buik. Egbert kermde het uit en schopt zijn metalen laarspunt onder het maliënkolder van Bies, deze voelde zijn buik open scheuren en stak het mes in Egberts oog. Prostaatus probeerde Harrie bij te brengen met water uit de plassen in de steeg. Egbert trok het mes uit zijn oog en wilde net Bies nogmaals schoppen toen hij de snede van zijn eigen zwaard aan zag komen, Bies hakte in op Egberts nek, en deze voelde zijn huid scheuren. Bies hakte een keer extra hard en Egberts hoofd viel achterover, enkel nog vastzittend met wat spieren en huid. Bies stond op en tilde zijn maliënkolder op, hij keek naar zijn open buikwond en zag dat een van zijn darmen eruit hing, hij viel bewusteloos neer. Prostaatus knipte met zijn vingers, Harrie II werd wakker en stond op, hij keek Prostaatus met grote ogen aan, maar deze pakte Harrie op en snelde naar de poort, hij stopte bij het lijk en Bies en zette Harrie neer, hij pakte snel de mooie steen, riep naar Harrie duwde de deur in de poort open en ze begonnen te rennen. Prostaatus stopte pas met rennen bij de eerste kruising, hij ging aan de rand van het pad zitten. Harrie stopte pas met rennen bij de tweede kruising en moest het hele einde terug lopen. Prostaatus ademde flink door en keek naar het bord aan de overzijde van de kruising. “Londen” die richting moesten ze op. Hij wachtte en tijdje tot Harrie er ook weer was en wees toen op het bord, ‘koude soep meneer?’ vroeg Harrie. ‘Nee Harrie het andere bord.’ Hij wees nogmaals, nu wel naar het juiste bord, ‘Ah, Londen, wat gaan we daar doen meester?’ ‘Niets jongen, als het goed is komen we daar niet eens, maar dat is wel de richting die we op moeten. Maar kom, we lopen nog een tijdje door en gaan dan slapen langs de weg. Dan kunnen we zodra de zon op komt meteen op weg.’ Harrie stemde in, en nadat ze een poosje gelopen hadden zochten ze een mooie slaapplaats onder de doornstruiken aan de linkerzijde van de weg. Als snel vielen ze in slaap, in York werd er echter door velen niet geslapen die nacht. De landheer was aangekomen en paste nu niet meer in zijn lievelingsharnas, zijn stemming was dus niet al te best. Kololel was echter teruggegaan naar Helsdieperwaard om daar alles in de gaten te houden, Harm de Vijfde was echter wel in York gebleven en moest nu het geklaag van de Landheer aanhoren. Deze stond naast de stadhouder van York, een oude kameraad van de Landheer en iemand die maar al te graag aan vriendjespolitiek deed met zijn politieke vrienden en kennissen. ‘Ik zal ze vinden Slakdarm, daar kun je zeker van zijn, al moet ik deze hele stad persoonlijk doorzoeken.’ ‘Weet u beste Landheer, kameraad en politiek gezelschap, dat ik uw aanwezigheid eigenlijk niet heel erg op prijs stel, overmorgen komt het koninklijke parlement hier zetelen, en is er de inwijding van de nieuwe Aartsbisschop. Ik heb u en uw leger van infantielen daar liever niet bij.’ Harm de Vijfde wilde protesteren tegen het feit dat hij het “leger” werd genoemd, maar de Landheer was hem te vlug af. ’Tegen die tijd hoop ik hier anders allang weer weg te zijn, het is namelijk zo dat ik-’ ‘MIJNHEER!’ Een slechtnieuwsbrenger kwam binnengestormd op een windvlaag, ’Mijne Heren, er is nieuws dat uw oren moeten beluisteren, er is één dode wacht, één zwaar gewonde wacht, en twee wachten missen we!’ ’WAT, HOE IS DIT MOGELIJK!?’ schoot Harm uit zijn slof, ‘Wat is er met mijn mannen gebeurt?’ ‘Ik weet het niet!’ riep de slechtnieuwsbrenger, ‘Ik heet slechtnieuwsbrenger, ik ben een onbelangrijk personage dat of dood gaat of niet meer voorkomt in het verhaal, waarom zou ik zulke belangrijke informatie weten, dat zou totaal onlogisch zijn!’ ’Hmmpf, breng ons bij de gewonde wacht, nieuwsbrenger!’ beval de Landheer in een duet met de Stadhouder van York. De Nieuwsbrenger haastte zich met het gezelschap van drie naar de ziekenboeg, daar aangekomen waren de verplegers net de uitstekende darmen aan het wassen. Ze gingen rond zijn bed staan, maar beseften al snel dat hij op de eikenhouten ongeschuurde operatietafel lag. De Landheer liep snel naar hem toe en stelde de onlogische vraag, ‘wat is er niet gebeurt?’ Bies de gewonde wacht vertelde een heel verhaal, en na drie uur vroeg Harm eindelijk, ‘Wat is er gebeurt, wie heeft je aangevallen?’ ‘Het was de steen Heer, de steen, hij overviel me met zijn glinstering, met zijn pracht, met zijn hardheid en stenige karakter. Hij was prachtig, maar Egbert wilde hem ook hebben, maar de steen hield van mij en niet van hem, ik zweer het. De steen hield van mij. Egbert werd jaloers, en gemeen, er was een worsteling, maar daar zijn we niet heen gegaan, wij vochten voor de poort om de steen, waar is ie?! Waar is de steen, wie heeft hem, heb jij hem?’Hij keek Harm aan met een wilde blik in zijn ogen. ‘Jij, jij hebt de steen, hij is niet van jou, HIJ IS VAN MIJ, HIJ HOUDT VAN MIJ HIJ- erschll’ De landheer trok zijn zwaard uit de keel van Bies, Harm veegde het bloed van zijn voorhoofd en vroeg, ‘Waarom deed u dat mijn heer?’ ‘Daar kwam geen zinnig woord meer uit, en door zijn gestuntel met die steen zijn Prostaatus en die jongen vast en zeker ontsnapt, slechtnieuwsbrenger!’ ‘Ja heer, wat is er?’ ‘Kom hier!’ De slechtnieuwsbrenger kwam tussen de Landheer en Harm instaan, ‘Ja sire?’ ‘Vertel mij, nieuwsbrenger, stond de poort open toen de lichamen gevonden werden?’ ‘Ja meester, die waren niet gesloten, dat klopt, U denkt toch niet, U denkt toch niet dat!?’ ‘Jawel dat denk ik wel!’ sprak de Landheer, ‘Die jongen en die acroba-, eh, priester zijn hem gesmeerd, ze zijn weer door de mazen van onze naalden gekropen, ze hebben ons weer het aankijken gegeven, ze zijn ons VERDOMME weer te slim weggeweest, ik zal ze, IK ZAL ZE KRIJGEN, snel geef me iets om kapot te breken!’ Harm overhandigde de Landheer een tafel, en de Landheer kneep hem tot stof. ‘WRAAHHH! IK HAAT ZE, IK HAAT ZE, IK HAAT ZE!’ Hij kneep met een oog en ontwikkelde spontaan een zenuwtrek. ‘HARM! Verman je zamelen, en stoert een zaktocht!’ ‘Jawel Heer.’ Harm verliet het vertrek met een huppelsprong en greep een mandje om met bloemen te strooien. ‘Stadhouder, hebt u vertrouwen in mij? STADHOUDER!’ De stadhouder schrok en stopte met het porren van de darmen van Bies met een tak. ‘Excuses vriend, maar ja, u hebt mijn vertrouwen.’ ‘Mooi, ik wil dat je de stad doorzoekt, de vogels zijn waarschijnlijk al verzopen, maar voor het geval dat ze hier nog zijn wil ik een volledige controle van de stad hebben, sluit alle poorten af, en stuur bericht naar Kololel, hij moet de wachten te paard sturen, ik heb ze nodig om het land af te zoeken.’ ‘Jawel politieke kornuit, komt voor de bakker.’ De stadhouder knipoogde naar de Landheer, porde nog een paar keer tegen de darmen van Bies en vertrok. De landheer ging op het bed van het lijk van Bies zitten. Hij wist dat hij die twee te pakken moest krijgen voor ze zijn geheim ontdekten en de waarheid boven water deden komen. Hij stond ook op, en liep naar de deur, halverwege bedacht hij zich, liep terug pakte de tak van de grond en begon tegen de darmen van Bies te duwen. Hij grinnikte in zichzelf.
Harrie werd wakker van de zonnestralen en ging rechtop zitten. Een grote vergissing, de doornen van de struik boorden zich in zijn huid en hij schreeuwde het uit, íemand pakte hem bij zijn voeten en trok hem op zijn rug onder de struiken uit. Het was Prostaatus, en ook zijn gezicht zat onder de sneetjes en schrammen. Gelukkig waren het bij Prostaatus sneden brood, hij had namelijk brood “geleend” bij een nabij gelegen boerderij, en had twee sneeën zonder duidelijke reden aan zijn voorhoofd bevestigd. ‘Goedemorgen Harrie, ben je klaar voor een nieuwe dag, hier eet dit brood’ hij trok een snee van zijn voorhoofd, ‘we hebben een lange trip voor de boeg vandaag dus het lijkt met het beste dat we zo snel mogelijk vertrekken.’ Harrie at zijn brood en dronk uit een beekje naast het pad. En nadat Prostaatus thee had getrokken van boomschors, en Harrie water had verwarmd door het op te drinken en daarna weer op te braken, gingen ze op pad. Prostaatus had een grote stok gevonden, en die gebruikte hij nu als wandelstok. Harrie had een kleine stok gevonden en hij gebruikte die om mee in zijn oren te peuteren. Ze liepen een hele tijd door het prachtige Britse landschap, en scholen gezamenlijk onder een eikenboom toen het begon te regenen. Het weer was onnatuurlijk warm voor de periode van het jaar, er was in de afgelopen twee maanden geen vlokje sneeuw gevallen. Harrie en Prostaatus hadden net een discussie over ingegroeide teennagels toen Harrie hoeven in de verte hoorde, hij trok het stokje uit zijn oor en luisterde nog eens. Hij bleef staan. ’Wat is er Harrie?’ Vroeg Prostaatus onnatuurlijk joviaal. ’Hoeven’ fluisterde Harrie, 'en niet ver hier vandaan.' Hij ging op de grond liggen en duwde zijn neus in de modder. Hij stond weer op, likte de modder weg, en zei, ’Er komen twintig ruiters deze kant op. Goed bewapend en op grote stevige knollen. Ik ben bang dat ze voor ons komen meneer.’ Prostaatus' humeur sloeg om, zijn optimistische stemming verdween even snel als ze op was komen zetten. ’We moeten van de weg geraken Harrie, en snel want als ze ons zien zijn de rapen het gaarst.’ Harrie schudde van ja, en ze liepen het struikgewas in, al snel kon Prostaatus de hoeven ook horen, ze durfden echter niet te ver het bos in te gaan, en bleven dus verborgen op ongeveer honderd meter van de weg. Het begon te waaien en niet lang daarna brak de hemel open en stortte het water naar beneden. Ze gingen onder een boom staan achter een groep struiken, met voor hen de weg en achter hen een aarden wal, de hoeven kwamen dichterbij, de regen werd nog heviger. Ze zagen de ruiters in de verte aankomen. Het staal van de harnassen kletterend in de regen. Harrie voelde opeens wel veel nattigheid aan zijn voeten, hij keek omlaag en zag dat hij in minstens veertig centimeter water stond, hij draaide zich om en zag het probleem, de aarde wal was op aan het bollen, Harrie beklom hem snel en keek over de rand, achter de wal lag een meertje, het beekje dat in het meertje stroomde leek echter niet meer op een beekje maar op een grote kraan. Het water spoot in het meer en Harrie kon het waterpeil bijna zien stijgen, opeens zakte zijn voet weg in de losser wordende grond en hij gleed omlaag, hij kwam onder het water terecht, en nog voor hij op kon staan schoof er een grote klomp modder over hem heen, hij probeerde zich vrij te maken, maar het lukte niet, de modder zoog hem tegen de bodem. Opeens voelde hij een hand, hij greep hem en Prostaatus trok hem boven de modder uit. ‘Christus Harrie, de wal gaat het begeven we moeten hier weg!’ Harrie keek naar de weg, de ruiters waren hen nu bijna gepasseerd, maar toen begaf de aarde wal het, Prostaatus en Harrie werden meegesleurd door de stroom van modder en water, en raasden door het bos naar het pad toe. De ruiters hielden halt en keken naar de bruine golf die op ze af kwam, Harrie greep naar een boom maar mistte, de tweede was echter wel raak, alleen dan onbedoeld, hij werd er vol tegenop gesmeten. Aan een luide kreet te horen was Prostaatus hetzelfde gebeurd. De wachten hadden hen gespot, maar ze moesten wijken voor het water. De achterhoede was echter niet meer in staat om te wijken er werd overweldigd door het water, en meegesleurd naar de andere kant van de weg, die eindigde in een ravijn van tweehonderd meter diep. Harrie en Prostaatus hielden uit alle macht vast. Zo nu en dan hoorden ze kreten van wachten die meegesleurd en weggetrokken werden. Opeens hield Harrie het niet meer, hij vloog om de boom heen en raasde met de stroom mee naar de weg. Prostaatus zag het gebeuren en liet ook los, hij zwom mee op de stroom en greep Harrie vast, ze belanden in de struiken bij de rand van de weg, het ravijn was nog geen tien meter verderop. Harrie dacht dat hun situatie niet kon verslechteren toen er opeens een pijl aangevlogen kwam, de wachter die niet door het water meegesleurd waren stond naast de breuk op de wal en schoten pijlen naar de jongen en de parochie meester. De struik begon het ook te begeven. Takje voor takje sleet door op de kracht van het water, twee pijlen schoten nog rakelings langs de twee metgezellen heen toen de struiken met wortels en al uit de grond werden gerukt. Harrie keek naar het ravijn, het kwam snel dichterbij, ze vlogen over de straat heen, de tijd leek stil te staan toen de rand in zicht kwam, ze scheerden door de laatste bosjes aan de overkant van de weg, en toen gingen ze omlaag, de diepte in.

maandag 14 april 2008

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk V

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 5. Het leren omgaan met een geladen pistool op een kinderfeestje.

28,0003 september, 1410- Het Helsdieperwoud, Engeland

Prostaatus sprong in de kuil waar Harrie II zojuist in gevallen was. Het rotsblok schoot over hun hoofden en rolde, links en rechts bomen brekend, het bos in. Prostaatus schudde aan Harrie, maar deze werd niet wakker. Hij schudde harder, nog steeds geen reactie, hij schudde nog harder… niet eens een krimp. Hij sloeg Harrie II driemaal in het gezicht met vlakke hand. Geen enkel teken van leven. Hij knipte zijn vingers, en Harrie II sprong op. ‘Wat is er, wat is er, ik heb geen duiven in mijn mouw!’ schreeuwde Harrie II. ‘Jongen, kom bij zinnen’ riep Prostaatus ‘we moeten snel weg hier, het zal niet lang duren voor de burgers van Helsdieperwaard achter ons aankomen!’ Hij trok Harrie II overeind en klopte zijn schouders af. Harrie II klopte zijn schouders nogmaals af en wreef toen even in zijn ogen. ‘Ik kijk even of de kust veilig is’ zei Prostaatus, en hij keek over de rand van de kuil richting dorp. Harrie, die hevig knipperde omdat hij zojuist zand in zijn eigen ogen had gewreven, klom op een boomwortel en keek ook over de rand. ‘Oké, niemand te zien, snel jongen!’ Prostaatus klom vliegensvlug, of zo vlug als water, of in ieder geval heel snel, uit de kuil en draaide zich om. Hij bukte zich en trok ook Harrie II uit de kuil, beiden begonnen snel terug te rennen naar de kapel van heilige Kees. Eenmaal daar aangekomen renden ze de trap van de kerktoren op om naar het dorp te kijken. Vlammen sloegen uit enkele van de huizen en het leek alsof de oostelijke horizon in brand stond. De heuvels achter Helsdieperwaard waren veranderd in een hel op aarde. Vuurkolommen van tientallen meters hoog schoten de lucht in en zelfs in de kapel konden Harrie en Prostaatus nog steeds het geschreeuw en geroep in het dorp horen. Prostaatus draaide zich om, en zei tegen Harrie dat hij zijn bed maar eens ging opzoeken, Harrie knikte en terwijl Prostaatus achterstevoren de trap af liep ging Harrie II op zijn eigen bed zitten. Hij staarde naar de rotte houten planken en dacht terug aan het huisje van Stads Gek, hoe kwam het dat het Archief des Eeuwigen zich in Helsdieperwaard bevond? En wat was die ‘wraak’ waar de Landheer over had gesproken? En hoe wist de Landheer dat ze in het archief waren? En waarom kon hij de slaap maar niet vatten? En waarom bleef hij zichzelf maar vragen stellen terwijl hij het antwoord erop niet wist? En waarom stopte hij daar dan niet mee? En waarom was hij er nog steeds niet mee gestopt? En waarom…
Harrie II viel in slaap, met zijn hoofd op het klamme en met mos overdekte kussen, en met zijn benen in de paddestoelen aan het voeteneind.
Die volgende morgen, de 28ste september werd er druk gewerkt in het dorp. De brokstukken werden opgeruimd en de huizen gerepareerd. De kerk werd echter niet herbouwd, dit op een bevel van de Landheer. Deze had zichzelf overigens tot het middelpunt van de meeste gesprekken gepromoveerd. Men vroeg zich af hoe het kwam dat hij plots de kerk uitgerend kwam terwijl hij eigenlijk in het kasteel hoorde te zijn. De grote explosie had bij veel mensen ook een vreemd soort interesse opgewekt naar het doen en laten van de landheer. Het was immers de Landheer geweest die ‘maak dat je weg komt, het gaat de lucht in!’ geschreeuwd had toen hij de kerk uitrende. Tel daarbij op dat er duizenden verkoolde vellen papier door de lucht zweefden na de ontploffing, en je begrijpt dat er veel onrust was in Helsdieperwaard. Bijkomend voordeel van de ontploffing was wel dat men te druk was met andere dingen om ook nog eens te blijven zoeken naar Harrie II en Prostaatus. De twee metgezellen hadden daarbij het voordeel dat niemand ze gezien had tijdens de gebeurtenissen van gisteravond. Iets waar ze de volgende dag dankbaar gebruik van maakten om weer eens een echt feestmaal te kunnen bereiden. Prostaatus vilde twee kippen en Harrie II plukte een konijn kaal. De konijn belande in de stoofpot en de kippen werden omgetoverd tot pudding. Prostaatus had zelfs een liter konijnenmelk te pakken gekregen en was daar nu melkkroketten van aan het maken. Harrie II zette net de laatste schaal en kelk op tafel -deze kwamen uit het altaar van de kapel- toen Prostaatus de melkkroketten voltooide. Beiden genoten ze van de overheerlijke maaltijd. En die avond sliepen ze allebei als een blok. De volgende ochtend werd Harrie II echter ruw gewekt door zijn meester ‘Snel Harrie kleed je aan en kom mee, dit moet je horen.’ Harrie kleedde zich zo snel als fysiek mogelijk was om en haastte zich de trap op naar het hoogste vertrek van de kapel. Prostaatus stond bij een gigantisch koperen apparaat en legde zijn oor tegen één van de uitsteeksels. ‘Wat is dit voor ding meneer?’ vroeg Harrie II, zijnde de onschuld zelf. ‘Dit, beste jongen’ verklaarde Prostaatus ‘is een Orofoon, een apparaat dat ik bedacht heb om dingen op grote afstand te kunnen horen.’ Prostaatus wees naar het midden van het apparaat dat uit het raam van de toren hing en op een gigantische grammofoon speler leek, ‘Dit is de vernuftige constructie waardoor dit apparaat zijn werk goed kan doen, binnenin deze behuizing bevind zich de Aquelopor, een geavanceerd stukje techniek dat geluidsgolven supersnel laat weerkaatsen binnenin een bol van metaal, hierdoor worden alle echo’s bij het oorspronkelijke geluid opgeteld en krijgt men een veel luider geluid!’ Harrie II bedacht zich dat hij niets snapte van wat de beste man net had gezegd en vroeg hem daarom maar de meest voor de hand liggende vraag, ‘Waarom is water doorzichtig?’ Prostaatus sloeg zijn vraag uit de lucht, en nadat deze kapot viel op de grond antwoordde hij, ‘Dat doet er nu niet toe Harrie, ik wil graag dat je hier naar luistert.’ Hij zette de Orofoon aan en vervolgde ‘Het is de landheer, hij wil een grotere en betere zoekactie!’ Harrie II ging naast Prostaatus staan en legde zijn oor tegen een tuit, hij vroeg zich af waarom hij niets hoorde, maar nog voor hij kon reageren trok Prostaatus hem al weg bij de theepot en duwde hij Harrie tegen de Orofoon. Hij wees ‘Luister!’ ‘kggg, kggg, -olgen, en dan zal ik eindelijk mijn plan tot uitvoer kunnen brengen!’ Het was de stem van de landheer! ‘Kolonel Kololel, ik heb uw collega Harm de Vijfde opdracht gegeven het hele dorp uit te kammen, u geef ik de opdracht om met uw manschappen het Helsdieperwoud te doorzoeken. En zorg dat u die twee schavuiten vind. Hoe kan ik nu ooit iets bereiken als de bevolking mij totaal ongeloofwaardig vind overkomen? Ik moet Prostaatus en die jongen te pakken krijgen, ik heb de steun van de burgers nodig! Zoek zonodig als lang is! Ik stoek het zaken noot vier ze- excuseer ak pik even wat water.’ Harrie hoorde gerinkel en het geklots van water. ‘Dat is beter, ehum, ik staak het zoeken niet tot ze gevonden zijn.’ ‘Wat moeten we met ze doen als ze eenmaal gevangen zijn Sire?’vroeg Kololel. ’Breng ze hier, het liefst in leven, mocht dat niet lukken, dan breng ze maar dood, maar breng ze hier. Ik wil dat het volk mijn triomf kan zien!’ ’Jawel Sire’ Kololel salueerde kennelijk want Harrie hoorde metaal tegen metaal slaan. ’Ik ben meteen op weg.’ Hij floot en Harrie hoorde voetstappen, ‘Mannen, verzamel iedere wacht en ga naar het plein, binnen een uur wil ik kunnen beginnen met zoeken, en breng me taart!’ ‘Ja kolonel!’ Harrie hoorde de wachten wegrennen, en hij keerde zich weer naar Prostaatus. ‘Dit klikt als menens meneer’ ‘Ja Harrie, dit is de meest gemeende menens die ik tot nu toe heb gehoord van de Landheer.’ Prostaatus ging naast de Orofoon zitten, -Noot van de schrijver, de zin die nu volgt is heel erg voorspelbaar, excuses daarvoor- Prostaatus haalde diep adem en zei ‘We kunnen hier niet langer blijven.’ ‘Dat begrijp ik meneer’ waren de woorden waarmee Harrie II reageerde, ‘Maar waar moeten we dan naartoe?’ Prostaatus keek uit het raam, ‘We moeten bewijsmateriaal vinden tegen Stads Gek Harrie, maar dat gaat hier niet lukken. Weet je, Stads Gek en Dorps Gek hebben niet altijd in Helsdieperwaard gewoond. Ik kan het weten, want ondanks dat het gelovige jongens zijn -behalve Dorps Gek, want die is dood- heb ik ze niet gedoopt. We moeten te weten komen waar ze eerst hebben gewoond, misschien dat we daar iets vinden.’ ’Wat vinden meneer, Gek heeft die knapen hier vermoord!’ Prostaatus keek Harrie scheel aan en stak zijn tong uit, hij bood meteen zijn excuses aan en vervolgde ’ik denk niet dat dit zijn eerste slachtoffers waren Harrie, daarvoor gaat het hem veels te gemakkelijk af. Nee, hij heeft al vaker gemoord.’ Buiten klonk een bliksemschicht en Harrie schrok. Hij herstelde zich direct en vroeg ‘Wanneer wilt u vertrekken?’ ‘Het liefst nu meteen jongen, maar dat zal niet gaan.’ ‘Waarom niet’ vroeg de belhamel Harrie II, ‘Omdat ik net water op het vuur heb gezet, nooit of te nimmer zal ik mijn vroege thee overslaan!’ Maar het theedrinken nam slechts enkele uren in beslag en direct daarna begonnen ze met pakken. Harrie en Prostaatus namen alleen de broodnodige spullen mee, zoals het fornuis en de openhaard. Iets na twaalven vertrokken ze en lieten ze de kapel van Heilige Kees achter zich. Prostaatus had voorgesteld om eerst naar York te gaan, deze eeuwenoude stad had één van de meest uitgebreide bevolkingsregisters van het land, Prostaatus was er zeker van dat ze daar iets zouden vinden. Helsdieperwaard lag een stukje ten noord-westen van Sheffield, en het was ongeveer vijftig mijl van Helsdieperwaard naar York. Prostaatus had uitgerekend dat ze daar ongeveer een maand over zouden lopen. Het bleek echter drie maanden lopen te zijn aangezien ze meer dan eens verdwaalde en het fornuis toch wel zwaar bleek te zijn. Ook bleven ze langer dan gepland hangen in Doncaster omdat ze Harrie’s negende verjaardag heel uitgebreid moesten vieren, naar het schijnt. En zo kwamen ze dus op de eerste dag van het nieuwe jaar aan in een feestelijk York. Alhoewel feestelijk misschien niet de beste omschrijving is, de locale bevolking had kennelijk nogal te lijden gehad van de festiviteiten van oudejaarsavond, en de helft die niet te kotsen lag op straat, sliep nog steeds. Harrie II liep achter Prostaatus aan door de smerige straten van de stad. Hier en daar moest hij een spui kots ontwijken, maar om precies vier seconden en zestien minuten over twaalf kwamen ze aan bij het Bibliotheek… die gesloten bleek te zijn op één januari. Prostaatus en Harrie besloten na een kort maar hevig onderhoud om de rest van de dag maar in een herberg te spenderen. Prostaatus duwde de eikenhouten voordeur van herberg “De kreutsvaardel” open en liep naar de bar. Harrie II kon met moeite de zware deur ervan weerhouden hem te pletten, en rende direct naar Prostaatus die kennelijk al een dialoog gestart was met de waard. Harrie wilde net zelf ook een gesprek beginnen met de haard toen Prostaatus hem naar zich toetrok. ’Luister Harrie, onze kamer is de eerste deur links op de tweede verdieping, je mag van mij de stad in, maar ga niet te ver. Ook heb ik liever niet dat je met iemand praat, begrijp je? Ik weet niet hoeveel invloed de Landheer in deze contreien heeft.’ ’Dat is goed meneer, ik zal me gedeisd houden!’ Harrie II draaide zich om, liep naar de deur, maakte deze open, draaide zich weer om zodat hij kon zwaaien naar Prostaatus, en knalde frontaal tegen de deur op omdat deze tijdens het zwaaien weer dichtgevallen was. Hij trok zijn neus recht en schoof z’n kaak weer in de juiste positie, trok nogmaals de deur open en stapte naar buiten. Prostaatus keerde zich weer naar de herbergier, ‘U vroeg mij daarnet iets?’ ‘Ja beste man’ sprak de waard op ernstige toon, ‘u vertelde mij dat u een veilige schuilplaats zocht, nu, er is maar één reden waarom iemand zoiets zou vragen. Door wie wordt u gevolgd?’ ‘Op het moment door niemand hoop ik,’ antwoordde Prostaatus, ‘maar ik weet niet of ik er goed aan zou doen u te vertellen, wie weet wie er allemaal meeluistert.’ ‘Op het moment alleen de smid en de klokkenmaker,’ zei de waard, en Prostaatus volgde zijn vinger. Die bleek naar een muur te wijzen, dus hij ging verder met het gesprek. ‘Ik en de jongen worden gezocht door de landheer van Helsdieperwaard, een onsympathiek figuur, over het paard getild en egoïstisch. Hij verdenkt ons van moorden die we niet gepleegd hebben, maar we hebben nog geen kans gekregen om onze onschuld te kunnen bewijzen.’ De waard dacht na over de slechte schrijfstijl van dit gesprek, en vervolgde toen, ‘Voor zover als ik weet is er hier niemand naar jullie opzoek. Maar voor de zekerheid zou ik het zekere voor het onzeker nemen.’ ‘Dat klinkt logisch,’ antwoordde Prostaatus, en hij vroeg of de waard misschien iemand kende die Stads Gek heette. ‘Neen, nooit van gehoord, wel van Dorps Gek, die kwam hier altijd melkkroketten brengen. Heerlijke dingen waren dat, hem heb ik ook al een hele tijd niet meer gezien.’ ‘Dorpsgek is dood beste man, in een put gevallen…’ Prostaatus dacht terug aan zijn goede helper. Hij vroeg de waard, die zichtbaar aangeslagen was door dit nieuws om een glas melk. Ondertussen was Harrie II York aan het verkennen. Het bleek een vrij grote stad te zijn, zeker in vergelijking met Helsdieperwaard, altijd was er ergens wel iets aan de hand, en overal werden er dingen verhandeld en verkocht. De markt was vandaag niet zo groot als normaal, maar toch al groot genoeg om Harrie er de hele middag te laten doorbrengen. Allereerst bezocht hij verschillende kraampjes om te zien wat ze aanboden. Harrie merkte al snel dat dit geen gewone markt was, nee het was overduidelijk dit was een zwarte markt. Overal werden zwarte spullen verkocht in het geniep. De verkopers stonden dicht bij de klanten en niemand sprak hardop. Harrie had de hele middag rondgelopen om de markt, en wat hij had gezien verbaasde hem, helemaal achterdoor was een kraampje waar ze mobiele guillotines verkochten, en niet ver ernaast een kraampje met duimschroeven. Ook was er een kraam met bijzondere wapens. Harrie kon zijn ogen niet geloven, maar hij moest wel, want als je je eigen ogen al niet meer geloofd, hoe paranoïde kun je dan nog worden? Bij de bijzondere wapens lagen messen die bij elke steek ook een scheutje zout in de wond gooiden, en speren waarvan de kop uitklapte zodra je er mee stak, ook lagen er pijlen die besmet rattenbloed in de kop hadden zitten, en bezemstelen. Vooral de bezemstelen intrigeerde Harrie, hij wilde de verkoper er net naar vragen toen deze langs Harrie heenkeek, schrok, en de benen nam. Met de benen onder zijn arm rende de verkoper alsof de duivel hem op de hielen zat. Harrie keek in de richting die de verkoper zojuist angst aan had gejaagd en schrok zelf ook. Daar stond een heel leger van wachten te wachten op de verwachtte orders om de langverwachte aanval op de zwarte markt te beginnen. Harrie herkende de commandant die de verwachtte orders aan de wachtende wachten aan het geven was meteen. Harm de vijfde stond op de trappen voor de grote kathedraal van York en schreeuwde bevelen; ‘Wachtende wachten, doorzoek de hele markt, alles wat zwart is neem je in beslag en de eigenaren in hechtenis.’ ‘JAWEL COMMANDANT’ schreeuwde één van de wachten, ‘WE ZULLEN ALLES WAT ZWART IS HECHTEN EN ALLE EIGENAARDIGEN IN HET BESLAG DOEN! COMMANDANT!’ ‘Nee, ontzettende uilenbal dat je d‘r bent, alles wat zwart is neem je in beslag, oké, comprendre? En alle kraameigenaren neem je in hechtenis, ofwel die gooi je de cel in, begrepen?’ ‘JA COMMANDANT, BEGREPEN, ALLE ZWARTE OBECTEN NEMEN WE IN VERLAG EN ALLE KRAAMEIGENAREN GOOIEN WE IN HECHTENIS! COMMANDANT!’ ‘Nee, luister nu, je snapt het niet, oké, heel rustig,’ Harm haalde diep adem, ‘alle zwarte dingen, neem je mee, en alle winkeleigenaren die zwarte dingen verkopen gooi je in de cel, duidelijk?’ ‘JA COMMANDANT’
‘HOU OP MET SCHREEUWEN KLOOTVENTIEL, IK STA NET EEN HALVE METER VERDEROP!’ De wacht hield ogenblikkelijk zijn mond gesloten maar probeerde toch te praten, ’mwaah meneehp, wat mwoep ik dwan doehn?’ ’Gewoon rustig praten, net zoals ik dat doe, goed, heb je het nu begrepen?’ de wachtende wacht knikte, en Harm gebaarde dat ze aan de slag moesten gaan. Harrie keek ontzet toe hoe de wachten het plein ondersteboven keerde, ze hadden het bijna op de kop toen Harrie er vanaf viel. Hij tuimelde een zijstraat in en bleef daar even liggen. Toen stond hij op, er was geen seconde te verliezen, hij moest Prostaatus waarschuwen dat Harm in de stad was. Dit mocht dan wel een gewone controle zijn (wat Harrie al onwaarschijnlijk leek), maar als Harm of één van zijn wachten Harrie zag dan had hij een grandioos plobreem -Ah, neen, eenen probleem, amai zeg!- Harrie stond op en rende als de weerga naar de Kreutsvaardel. Prostaatus was net aan zijn vijfde glas melk bezig toen de weerga opeens binnen gestormd kwam. ’Hé weerga, wat doe jij hier?’ vroeg kuise Kees, de barman. ’Ik ben weerga niet, ik ben Harrie, ik rende alleen als de weerga!’ ’Ah, Harrie’ riep Prostaatus, ’kom eens hier jongen, vertel die oude Prostaatus eens, hoe was je dag?’ ’Meneer, heeft u weer gedronken?’ ’Alleen maar wat melk jongen, -hips-’ Harrie keek naar de barman, en de barman sprak; ’Sorrie jongen, ik had geen idee dat hij geen volle melk mocht hebben, het spijt me.’ Harrie liep naar Prostaatus, ’Meneer, luister naar me, Harm is in de stad!’ Prostaatus boerde en keek Harrie aan met één oog dicht. ’Luister jongen -hips-, ik ben dan wel bezopen, maar ik ben niet slim, -hips- ik weet best dat Harm niet in de stad is.’ Harrie keek om zich heen, er moest ergens iets zijn waarmee hij Prostaatus op kon lap- daar! Naast de sappen en de koeienurine, “Oude Ger’s Lijpe Borrel” dat had hij nodig. Hij sprong over de bar en greep de fles. Hij sloeg een whiskyfles doormidden sprong terug over twee mannen die spontaan in tranen uitbarstten omdat hij de laatste whiskyfles kapot had geslagen, en landde op de kruk tegenover Prostaatus. Hij stak de fles in Prostaatus’ keel, deze schreeuwde het uit, en Harrie besloot om de fles toch maar met de scherven naar boven te zetten. Hij goot Oude Ger’s Lijpe Borrel in de keel van Prostaatus en die proestte het uit. Wat hij precies uitproestte kon Harrie niet opmaken, maar na een paar seconden sprong Prostaatus op en riep hij; ‘Harm, Harm is in de stad, Harrie waar ben je?’ Harrie tikte hem op zijn schouder en Prostaatus draaide zich om, ‘Ah, daar ben je, en niet meer weglopen in het vervolg, oké!’ Prostaatus sprong op de bar en schreeuwde tegen de glazen. Hij slingerde aan de lamp naar de voordeur van de Kreutsvaardel. Daar draaide hij zich om en riep, ’Kom Harrie, we moeten naar het register voor het te laat is. Harrie sprong over twee tafels heen, deed een koprol onder een plint door en maakte een salto over het plafond. Hij lande naast Prostaatus en zei, ‘Naar het register, en daar voorbij!’ Prostaatus hield de deur open, en Harrie ging met handstanden naar buiten. Prostaatus riep ‘Bedankt voor de Lijpe Borrel Kees,’ en dook met een snoekduik de straat op. Ze renden, sprongen, doken, vielen, stonden weer op, en gingen door tot ze bij de Grote Bibliotheek aankwamen. ‘Meneer, hij is op slot hoor’ zei Harrie, ‘Net zoals vanmorgen ook al het geval was.’ ‘Niet zo betweterig Harrie, ik zal deze deur wel eens eventjes openen.’ Prostaatus stroopte zijn gewaad op, een verkeerde keuze, hij moest er namelijk nog lang in lopen, en nu plakte het verschrikkelijk. Desalniettemin pakte hij het gietijzeren bord waar ‘gesloten’ op stond, en smeed hij het door de voordeur van de Bibliotheek heen. ‘Ik moest kloppen want de bel deed het niet!’ Prostaatus grinnikte om zijn oneliner en stapte de Bibliotheek binnen. Harrie vond het maar een stomme grap, maar liep toch de Bibliotheek binnen, achter Prostaatus aan. Eenmaal binnen wilde Prostaatus de deur weer sluiten, echter deze lag verspreid over de vloer als een vaas uit de Ming Dynastie die door een kolenmijn heen gegooid wordt. Maar gelukkig had Harrie op school zijn lessen ‘hoe maak ik lijm van ongewone objecten’ goed gevolgd, en met de stroop van Prostaatus zijn mouwen plakte ze de deur terug in het kozijn. Prostaatus prees Harrie zijn vindingrijkheid, en Harrie prees Prostaatus’ vermogen om deuren aan gort te slaan. Ze sloten de deur zorgvuldig en liepen over de marmeren vloer naar de bevolkingszaken afdeling. Prostaatus haalde weer een fakkel uit zijn oksel en Harrie stak hem aan met behulp van een teennagel, twee boekenleggers en een doosje lucifers. Prostaatus ging voorop, en sloop voorzichtig het bevolkingsregister binnen. Dit bevond zich op de bovenste verdieping in de koepel van de Bibliotheek -Noot van de schrijver, als u zich afvraagt waarom bibliotheek met een hoofdletter wordt geschreven hebt u te goed opgelet op school- Deze bestond uit een wenteltrap in het midden, waar de boekenkasten spiraalsgewijs omheen gezet waren. Als je dus de laatste kast moest hebben, moest je eerst langs alle andere kasten lopen. Prostaatus liep de kasten langs, hij mompelde in zichzelf en weldra had Harrie hem uit het zicht verloren. Opeens hoorde hij Prostaatus schreeuwen, ‘Eureka, ik heb hem gevonden Harrie, de hele Familie Gek staat erin.’ Harrie holde naar Prostaatus toe, deze wees hem de pagina aan waar de Familie Gek op stond. ‘Hier staat dat de familie Gek uit Frankrijk komt, uit een klein dorpje in de buurt van La Rochelle, geef me eens wat papier en een pen Harrie.’ Harrie rende terug naar de wenteltrap om pen en papier te halen toen hij stemmen hoorde. Hij keek naar benee en zag duidelijk de vlammen van de toorts van iemand die de trap op gerend kwam. Hij rende terug naar Prostaatus maar deze was nergens te bekennen, opeens werd hij van achteren vastgegrepen, Prostaatus fluisterde in zijn oor ‘stil, kom mee, hierheen. Het zijn de wachten van Harm.’ Ze hadden zich net verstopt in één van de archiefkasten die tegen de buitenmuren van de koepel stonden toen de drie wachten oprezen uit het gat van de wenteltrap. Ze zochten overal, hier en daar boekenkasten omgooiend, maar konden niets vinden. Één van de wachten riep ‘We hebben meer licht nodig, zo vinden we ze nooit!’ ‘Wacht hier’ riep de tweede wacht en Harrie en Prostaatus hoorde hem de trap afrennen. Even was het stil, en toen ging de hele koepel open. Als een roos in de bloei vouwde de dakdelen zich naar buiten, en de zon scheen fel naar binnen. En toen zag Harrie hem, de Landheer kwam omhoog gestegen uit het trapgat, hij keek rond en sprak tegen de wacht; ‘Haal alles overhoop, ze zijn hier, ik weet het zeker.’ Één voor één werden de kasten opengetrokken. Harrie zag de landheer op hun kast afkomen, zijn armen reikten naar de handvaten. Maar nog voor hij deze had vast gepakt vloog de kastdeur al open, Prostaatus en Harrie hadden tegelijk tegen de deuren getrapt, de Landheer vloog achteruit tegen een boekenkast op. Harrie klom op de archiefkast en hielp Prostaatus er ook op te klimmen. Ze klommen van de kast over één van de dakdelen naar het platte dak van de Bibliotheek, Harrie rende voorop en bleef plots staan bij de rand van het gebouw, Prostaatus bleef echter niet staan en liep met een klap tegen Harrie op, deze verloor hierdoor zijn evenwicht en viel over de rand, hij greep nog net Prostaatus zijn gewaad. Maar in tegenstelling tot wat hij gehoopt had betekende dit niet dat hij nu niet meer zou vallen. Helaas, Prostaatus werd door de ruk aan zijn enkels ook meegesleurd, en zo vielen ze beiden van de rand van het dak van de Bibliotheek. Harrie had geen enkele gedachten meer in zijn hoofd zitten, en toen kwam de klap.

donderdag 13 maart 2008

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk IV

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 4. Het peilen van de hartslag van een leeuwerik met een ongewenst politieke invalshoek.

15,15 september, 1410- Helsdieperwaard, Engeland

Prostaatus opende plots zijn ogen, ‘Harrie, snel pak de sleutels, we nemen de achterdeur’ ‘Waarom’ wilde Harrie II onmiddellijk weten. ‘Snap het dan jongen, we moeten Stads Gek te pakken krijgen, we moeten aantonen dat we onschuldig zijn!’ Harrie II sprong op, ‘meteen meneer!’ hij rende zo snel mogelijk de kerk door naar het sleutelaltaar, trok het deksel open en greep de sleutels, ‘Ik heb ze!’ schreeuwde hij de kerk door. ‘Allemaal’ vroeg Prostaatus. Harrie telde de sleutels, ‘Ja, allemaal’ wierp hij boven het knarsen van de deur uit. Buiten werd het meteen stil. Prostaatus kwam naast Harrie staan en keek bedenkelijk. ‘Heeft u ze allemaal daar?’ riep een stem van buiten de deur. ‘Ja, allemaal’ riep Harrie terug, hij kon het gemompel buiten de kerk horen, kennelijk had iets dat hij gezegd had voor oproer gezorgd. ‘Ze zijn toch wel nog in leven?’ klonk een bezorgde vrouwenstem. ‘In leven, hoe bedoeld u?’ riep Prostaatus. ‘Zijn… zijn ze dood?’ werd er voorzichtig geschreeuwd. ‘Nou, dood zou ik niet willen zeggen’ riep Harrie ‘levend zijn ze in ieder geval niet.’ Er klonk verwoed geschreeuw en een paar luide snikken en kreten. Harrie II vroeg zich af waarom deze lui zo geïnteresseerd waren in sleutels. ‘Wat heb je godverdomme met ze gedaan’ klonk het toen woedend van buiten. ‘Niets, ik heb ze gewoon uit het altaar gehaald.’ ‘Uit het altaar? Jij gore achterbakse schlemiel, je hebt ze laten stikken, wacht maar tot we je te pakken krijgen! Zieke pluk ongewassen okselhaar dat je bent!’ Prostaatus keek Harrie vol onbegrip aan, ‘Harrie, we moeten niet blijven wachten tot ze binnengekomen zijn, we moeten nu gaan.’ Hij wachtte niet op antwoord, greep de sleutels uit Harrie’s hand en haastte zich door de achterdeur van de kerk. Buiten renden ze de velden achter de kerk in. Na een minuutje of tien gerend te hebben kwamen ze aan bij een heuvel aan het einde van de landerijen. Ze beklommen de heuvel en zagen in de verte de toortsen van de menigte. ‘Wat doen we nu meester?’ Prostaatus draaide zich om en keek Harrie aan, ‘we lopen nog een tijdje door, in het Helsdieperwoud staat de oude kapel van de heilige Kees, daar moeten we de nacht maar doorbrengen. Harrie knikte en stond op, hij wierp nog een laatste blik op de menigte en liep toen de heuvel af.
De kerkklokken van Helsdieperwaard klonken al vroeg die morgen, een dorpsvergadering was ingelast om te overleggen hoe de zoektocht naar Harrie en Prostaatus werd voortgezet. Men was gisternacht de kerk binnen gedrongen, maar de lichamen van de jongens werden niet gevonden. Toen bij thuiskomst bleek dat deze nog gewoon in leven waren heerste er een gevoel van opluchting in het dorp, deze werd helaas diezelfde nacht nog ruw verstoord door de vondst van boer Flabbel. Hij had namelijk het lichaam gevonden van non Wakku. En ondanks dat men zich afvroeg waarom de beste man om twee uur ’s nachts nog in zijn tuin stond te spitten, kwam dit nieuws aan als een mokerslag. Men was verontwaardigd, boos, en moe. Ondanks alles was het toch druk in de kerk. De landheer liep het bordes op en ging achter het spreekaltaar staan. ’Beste burgers, edelen en minder bedeelden *kuch* zwervers *kuch*, wij zijn hier vandaag bijeen gekomen om het recht te laten gelden, Harrie en Prostaatus zullen boeten voor deze wandaden, nu al hebben ze drie mensen vermoord en één ernstig verminkt met een theedoek. Dit moet een halt toegeroepen worden, ik verklaar hierbij zowel Harrie II Broedervisbek, als onze eigen pastoor Prostaatus vogelvrij!’ ‘Hé wacht eens even,’ riep iemand vanuit de kerk ‘daar heb jij de bevoegdheid toch hele-’ de beste man die de wetten nauwkeurig op zijn duimpje kende werd van achteren neergeslagen en weggevoerd. ‘Nog iemand die het beter denkt te weten’ riep de Landheer. De zaal schudde zijn hoofd, en nadat alle spullen weer recht waren gezet vervolgde de landheer ‘De pastoor en de jongen zullen eeuwig nagejaagd worden, nooit meer zullen zij ons dorp lastigvallen. Ga nu eenieder en zoek, zoek tot ze gevonden zijn, het recht zal zegevieren, zij zullen sterven, de gevallenen zullen herdacht worden, en ik zal koning zijn, WHAHAHA, HAHAHA!’ Er viel een stilte die zijn weerga niet kende terwijl alle ogen op de landheer gericht werden. Hij herstelde zich vlug en zei ‘ehum, ja, nu, de wacht zal zich concentreren op de wegen rondom ons dorp, ik vraag jullie de gewone burgers om jullie levens weer gewoon te hervatten. Ik wil geen paniek in dit dorp. Over paniek gesproken heeft iemand de twee zonen van boer Flabbel onlangs nog gezien?’ Die opmerking veroorzaakte veel rumoer en tandengeknars. Waar waren de zonen van boer Flabbel? waar waren Harrie II en Prostaatus? hoe kwam het dat die twee zo onopgemerkt weg hadden kunnen komen? en wat is de zin van het leven? Al die vragen spookte door de hoofden van de burgers van Helsdieperwaard terwijl er snel een zoektocht werd ingelast naar Flobbel en Flibbel. Overal in de omgeving van het dorp werd gezocht, maar die avond was er nog geen spoor van de jongens, boer Flabbel en zijn vrouw Floebel waren ten einde raad. Ze zochten overal maar de jongens werden niet gevonden. Ook de volgende dag werd er druk gezocht, maar ook ditmaal zonder resultaat. Op Maandagmorgen kwam er echter schot in de zaak toen beide jongens terugkwamen van schoolkamp. De opluchting hing als een warme deken over het dorp voor de rest van de dag. Boer Flabbel kreeg flink op z’n donder omdat hij als analfabeet het briefje op de slaapkamer deur van zijn zonen niet had gelezen, en men ging over op de orde van de dag: het zoeken van Prostaatus en Harrie II. De zoektocht werd echter gestaakt na drie weken, men was ervan overtuigd dat de twee onverlaten het dorp achter zich hadden gelaten en hun heil elders waren gaan zoeken.
Echter, op een paar teksten uit de Bijbel na was niets minder waar, Harrie II en de pastoor zaten nog steeds in de kapel van heilige Kees. Tot nu toe hadden beiden nog niets te klagen gehad, er waren wel al twee groepjes wachten in de kapel komen kijken, maar Harrie en Prostaatus hadden een geheime wijnkelder ontdekt onder het altaar. Daar hadden ze ook hun slaapvertrekken ingericht en een klein fornuis geconstrueerd. Aan eten komen bleek niet moeilijk te zijn, er was voldoende aan vruchten te vinden in het woud, en nog geen dertig meter van de kapel stroomde een beekje met heerlijk helder water. Ze hadden ook al verschillende plannetjes bekokstoofd, maar tot nu toe bleek er geen echt lekker te zijn. Harrie II kreeg opeens echter een briljante ingeving, wat nu als ze Stads Gek lokte door zichzelf voor te doen als kinderen die katten graven sloopten. Postaatus vond het een uitstekend plan, en nadat hij zich er tweemaal aan gestoten had besloten ze om de volgende avond tot uitvoering over te gaan. Op de ochtend van de dag waarop ze operatie puinzooi gingen uitvoeren hakten ze een grafsteen uit een blok marmer dat ze bij de Marmer Gigant hadden gekocht. Prostaatus was net de laatste woorden in de steen aan het beitelen toen Harrie II terugkwam met een mandje vol champignons. ‘Waar heb ge die vandaan?’ vroeg Prostaatus. ‘Uit de provisiekast van boer Flabbel, hij en zijn zonen waren de varkens aan het verven, en toen ben ik snel naar binnen geglipt.’ ‘Weet je hoe je ze moet klaarmaken Harrie?’ vroeg de pastoor. Harrie schudde zijn hoofd. ‘Nou, in de keuken staat een boek naast het fornuis, kijk daar maar eens in.’ Harrie deed wat hem gezegd werd en spoedde zich de keuken in. Die middag aten ze een verrukkelijk feestmaal, niet alleen hadden ze de gebakken champignons, ook had Prostaatus twee konijntjes in de val weten te lokken met een slagroomtaart. De konijnen lagen nu heerlijk gestoofd voor hen op tafel. Terwijl Harrie II de konijnen aansneed herhaalde Prostaatus nogmaals het plan voor die avond. ‘Nu Harrie, je weet wat je te doen staat als we ons eenmaal omgekleed hebben’ ‘Ja meneer, ik zet dan de grafsteen neer op de plaats waar die van Loodje eerst stond, daarna wachten we samen tot Stads Gek langskomt gelopen tijdens het uitlaten van zijn hond Boontje.’ Prostaatus knikte en vervolgde ‘dan roep ik “rotkatten we zouden jullie allemaal moeten afmaken,” en dan schop jij tegen het graf aan.’ ‘Juist’ zei Harrie, ‘en dan?’ ‘Hoe bedoel je en dan’ zei Prostatus, ‘er is geen “dan”, dit is het plan’ Harrie keek hem even aan en vroeg toen ‘maar wat gebeurt er dan, wordt hij dan opgepakt of zo? Ik snap het niet helemaal’ ‘Ik ook niet,’ zei Prostaatus ‘maar we zien wel hoe de rest van de avond zich ontvouwd als het zover is’ Harrie II knikte en begon champignons op te scheppen. Na het eten kleedden beiden zich om en verlieten ze de Kapel van heilige Kees. Tegen de schemering kwamen ze aan in Helsdieperwaard, het was er verontrustend rustig. Prostaatus hield even halt, maar omdat er geen wacht te zien was liep hij daarna weer met stevige pas door. Ze wilden net het kerkhof oplopen toen Harrie het niet meer hield. Hij had zes mijl gelopen met een marmeren grafsteen op zijn rug, en nu hield de achtjarige jongen het niet meer. Hij liet de steen met een oorverdovende klap op de grond vallen. Direct werden in alle huizen aan het plein de kaarsen ontstoken en de toortsen gepakt, maar nog voor Harrie weg kon rennen slaakte iemand een luide angstige schreeuw. Prostaatus holde naar Harrie, tilde hem op en gooide hem in de eerste tombe die hij kon vinden op de begraafplaats, hij sloot snel het ijzeren hek en keek door de spijlen naar het plein. Alle deuren werden opengegooid en er stroomde een menigte het plein op. Toch zag niemand de brokken van de grafsteen, ze waren namelijk allemaal afgeleid door de hangende gestalte aan de vlaggenmast die de voorgevel van de kerk ontsierde. Harrie en Prostaatus konden door de bladeren van de wilg die voor de tombe stond nog net het lichaam zien hangen. ‘Verdomme’ vloekte Prostaatus binnensmonds ‘hij heeft er weer één te pakken gekregen, de afgewassen moedervlekkenlikker.’ Harrie keek langs Prostaatus heen en zag daar temidden van de menigte de vervloekte verschijning van niemand minder dan Stads Gek. ‘Haal de landheer’ riep het hoofd van de wacht tegen een stadswacht ‘en snel, we moeten het dorp afsluiten, hij kan nog niet ver zijn!’ Harrie keek nog steeds naar Stads Gek, maar die gedroeg zich opeens erg vreemd, hij keek om zich heen en rende toen snel langs de boodschapper naar het kasteel van de Landheer. ‘De smeerpoets’ zei Prostaatus zacht, ‘het zou me niets verbazen als Gek en de Landheer onder een hoedje spelen.’ Harrie vroeg zich af hoe groot dat hoedje dan wel niet moest zijn toen er voor de tweede keer die avond een kreet geslaakt werd. Het touw had het begeven en de jonge gestalte viel drie verdiepingen omlaag bovenop het draaiorgel dat voor de kerk stond. De orgelspeler keek er even naar, begon te huilen, haalde zijn bakje tevoorschijn en begon te bedelen. Prostaatus tikte Harrie op zijn schouder en zei ‘snel, we moeten naar het huis van Stads Gek gaan nu er niemand op ons let.’ Hij ontgrendelde de poort en ze slopen snel de tombe uit. Zo stil als een ingevroren winterpeen slopen ze langs de kerk en renden toen het laatste stukje naar het huisje van Stads Gek. Prostaatus maakte het slot open met behulp van een Zwitserse Bijbel, en sloot het meteen weer toen ze binnenstonden. Het was donker in het huisje, en het zag eruit alsof er al jaren niemand meer had gewoond. Prostaatus haalde een vuursteen uit zijn pij en stak een fakkel aan die hij onder zijn oksel had verstopt. ’Alle kosters op een stokje wat een troep’ riep hij uit. Harrie keek om zich heen en twijfelde geen moment aan de zojuist gedane uitspraak van Prostaatus. Het was echt een gigantische rommel, niet alleen had Stads Gek kennelijk een voorliefde voor spinnenwebben ook leek het alsof hij dagelijks alle stront ophaalde in Helsdieperwaard om die vervolgens in zijn woonkamer te dumpen. Het stonk er verschrikkelijk en bij elke stap zakte je dieper weg in de troep op de grond. ’Kattenpoep’ mompelde Prostaatus nadat hij een handje stront van de vloer had geraapt en bij zijn neus had gehouden. ’Het hele godganse huis zit onder de kattenstront.’ Harrie liep voor Prostaatus langs ’Ik denk dat hier al heel erg lang niemand meer is geweest meneer.’ Prostaatus ging hem weer voor ’Klopt Harrie, maar toch moeten we deze rommel doorzoeken.’ Harrie ging weer voor hem staan en liep naar wat de keukendeur bleek te zijn. Prostaatus liep voor Harrie langs en keek de keuken rond. Het was de smerigste plaats op aarde -Noot van de schrijver, dit is geen grapje, het was echt de ranzigste plaats op aarde- in het midden van de keuken stond een tafel waaraan twee skeletten, vermoedelijk de ouders van Stads en Dorps Gek, zaten. Op de tafel zelf lag een hoop rottende kattenpoep en kots die tot aan het plafond reikte. De vloer was vergeven van maden en wormen, en bij elke teug adem die je haalde in die keuken slikte je minstens twee of drie strontvliegen in. Het stikte namelijk van vliegen in die keuken, het was alsof je in een regenbui liep, alleen vlogen de regendruppels om je heen en nestelden ze zich in je haar om daar eitjes te leggen. Prostaatus liep naar het aanrecht, in de wasbak lagen botten van iets dat niet menselijk noch dierlijk kon zijn en over het droogrek hing de rottende huid van een hond. Stads Gek was een psychopaat, dat was wel duidelijk, en kennelijk had hij zo’n grote liefde voor katten dat hij alles wat niet van katten hield pijnlijk afmaakte. Harrie liep door de maden en trok een deur open, dat was niet slim. Achter de deur bevond zich een opeenstapeling van mens- en dierlijke resten die zich de keuken in stortte, de golf van rottingsprocessen en ingewanden spoelde Harrie en Prostaatus terug de woonkamer is, Prostaatus klampte zich vast aan een plafondbalk en Harrie klampte zich vast aan de schedel van meneer Gek. Nadat de golf was gaan liggen besloten Harrie en Prostaatus om de bovenverdieping eens te gaan inspecteren. Ze liepen de trap op en Harrie sprong met een salto de overloop op. Prostaatus deed een dubbele handstand en kwam voor Harrie terecht. De overloop leek in niets op de onderverdieping, hier was alles brandschoon en rook het naar citroen met een vleugje kaneel. Prostaatus sloeg de enige deur op de gang open. Niets, achter de deur keek je het zwarte niets in, het was er zo donker als een pik. Prostaatus stapte naar binnen en Harrie volgde. Hij was nog niet over de drempel of de deur sloot zichzelf alweer. Het licht van Prostaatus’ fakkel verlichtte nog geen drie meter vooruit, maar meer was er ook niet nodig om te beseffen dat ze in een archief waren, ze werden omringt door torenhoge boekenkasten. Harrie II keek naar de muur achter zich en zag daar het woord “licht” geschreven staan, hij tikte Prostaatus aan en die keek er ook naar. Onder het bordje hing een pijl, deze wees op een klein bakje met een doorzichtige vloeistof. Prostaatus hield zijn fakkel aan het bakje en razendsnel verspreidde het vuur zich door de hele kamer. Deze bleek helemaal vol met boekenkasten te staan en over elke kast liep een klein kanaaltje met diezelfde vloeistof als in het bakje. De vlammen verspreidden zich en doken de verte in. Dit was geen simpel persoonlijk bibliotheekje, dit was een gigantisch archief, Harrie en Prostaatus keken langs alle rekken de diepte in, maar konden de andere kant van de kamer niet zien. De donkere houten boekenkasten kraakten van de warmte van het vuur en Prostaatus begon het middenpad af te lopen. Harrie keek omhoog en zag dat het gewelfde plafond uit rots bestond, ze moesten in de heuvels achter het dorp zitten. ‘Harrie?’ klonk het vragend in de verte. ‘Wat is er meneer?’ riep hij terug, ‘Hier is een register, kom eens kijken’ riep Prostaatus. Harrie liep naar de oude pastoor en die bleek op een verhoging in het midden van de zaal te staan. Harrie ging naast hem staan en keek naar het dikke boek dat op een standaard voor Prostaatus lag. ‘Dit’ begon Prostaatus ‘is niet zomaar een archief, het bevat een gedetailleerde beschrijving van elke persoon die ooit geleefd heeft in Britannië.’ ‘Maar,’ vroeg Harrie, ‘wie heeft dat dan bijgehouden?’ ‘Kennelijk hoeft dat niet Harrie, kijk hier eens.’ Harrie keek en zag op de laatste beschreven pagina van het boek woorden verschijnen. “Kwarkie Hoefijzer, geboren 3 oktober 1410, om zes minuten over twee ‘s nachts, derde plank, rek vierenveertig in gang twaalf” Nog voordat die zin uitgeschreven was begon er alweer een nieuwe, en nog één en nog één. Het boek hield iedere geboorte automatisch bij en gaf aan waar het boek te liggen kwam waar het levensverhaal van die persoon in geschreven werd. ‘Harrie?’ riep Prostaatus plotseling. ‘Wat is er meneer?’ vroeg Harrie ogenblikkelijk. ‘We moeten het boek vinden waarin het leven van Stads Gek beschreven staat, daar staat ook in hoe hij die arme jongens heeft omgelegd! Snel we moeten…’ hij bladerde het boek razendsnel door, ‘gang vierendertig hebben, rek twaalf, plank zeventien.’ Ze renden de hal door en lazen de gangpaden nummers. ‘Hier, hier is het’ riep Harrie II. Prostaatus kwam naast hem staan en pakte van de plank een gigantisch dik boek, de kaft las; “Het leven en de gebeurtenissen in het leven van Stads Gek, geboren op negenentwintig februari 1357.” ‘Nu weet ik ook waarom hij zo verbitterd is’ zei Prostaatus, ‘hij mag maar eens in de vier jaar zijn verjaardag vieren, dat zou mij ook des duivels maken.’ Hij en Harrie liepen net terug naar het middenpad toen de deur van het archief in de verte opensloeg. ‘Ze moeten hier zijn, zoek ze, vind ze, pak ze op, sla ze neer, geef ze geen genade, geef ze geen rust, geef ze geen bruine bonen!’ Harrie herkende de stem van de Landheer. Hoe wist die in godsnaam dat ze hier waren? Prostaatus trok Harrie aan zijn arm een zijpad in. Ze hoorde het gekletter van de harnassen van de stadswachters dichterbij komen. Harrie stond op en trok Prostaatus mee naar het einde van het zijpad. Ze renden buitenom terug naar de deur maar nog voordat ze daar aankwamen stonden ze ineens oog in oog met de landheer. ‘Er is geen kans op ontsnapping deze keer Prostaatus, geef de jongen op en ga met mij mee!’ ‘NOOIT’ riep Prostaatus onverwacht hard, hij greep Harrie bij zijn gewaad en trok hem achter een kast. ‘Ze zijn hier! Wacht ze zijn hier!’ schreeuwde de Landheer. ‘Deze keer zal ik mijn wraak hebben’ hij trok zijn zwaard uit de schede. ‘Wat bedoeld hij meester, waarvoor zal hij wraak hebben?’ ‘Niet nu Harrie, we moeten eerst uit deze situatie ontsnappen. Snel, nu, RENNEN!’ Harrie en Prostaatus schoten langs de kasten, ze sloegen hoek na hoek om tot ze opeens recht tegenover een wacht stonden. Deze trok een grijns en richtte zijn kruisboog. ‘NEE, NIET DOEN IDIOOT’ schreeuwde de landheer maar het was al te laat. De wacht schoot, Harrie II zag alles als in een vertraagde opname en liet zich meeslepen door het lot. Prostaatus die op hem afdook, de pijl die afkaatste, de hollende gestalte van de Landheer, de grijns die abrupt verdween van het gezicht van de wacht, en nogmaals de pijl die door één van de kanaaltjes boven de boekenkasten heen vloog. Harrie II kwam weer volledig bij zinnen, alles ging nu juist heel snel, Prostaatus schreeuwde dat ze weg moesten komen, de Landheer schreeuwde dat hij weg moest komen, één van de wacht schreeuwde dat het een kookboek was, en de vlammen sprongen om zich heen. De vlammende olie spoot uit het kanaal en boekenkast na boekenkast ging in vlammen op, Harrie en Prostaatus rende naar de uitgang, de wachten hadden geen oog meer voor hen, twee stonden in brand en een derde had een straal kokende olie over zich heen gekregen. De Landheer was Harrie en Prostaatus kwijtgeraakt en probeerde zichzelf ook in veiligheid te brengen. Eindelijk, daar was de deur. Prostaatus sprong en doorheen en Harrie II volgde zo snel als hij kon. Ze renden het huisje uit, langs de menigte op het plein maar bleven staan toen ze een gigantische knal hoorde. Iedereen in het dorp richtte oren ogen en voeten naar de heuvels achter de kerk. Drie tellen was er stilte, en toen weer een gigantische knal, de hoogste heuvel top spatte in een kolkende vlammenzee uit elkaar. De brokstukken vlogen heinde en verre, sommigen troffen het dorp. Één brokstuk vloog door de kerktoren heen die meteen instortte, nog een vloog door de pastorie, en nog een trof het plein in volle vaart, overal was vuur, overal was rotzooi, en op sommige plaatsen waren gewonden. Harrie en Prostaatus werden als het ware wakkergeschut doordat een tweede heuvel ook ontplofte. Ze draaiden zich om en snelden het Helsdieperwoud in, Harrie keek onder het rennen nog één keer om, net op tijd om een gigantisch rotsblok op hem af te zien komen, Prostaatus bleef ook staan, de angst stond op zijn gezicht te lezen, Harrie keek niet waar hij liep en struikelde hij trof de grond en voor de tweede maal in drie weken werd alles donker.

dinsdag 11 maart 2008

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk III

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 3. Het ongeïnspireerde leven van Jezus opnieuw onder de loep genomen door twaalf deskundige stropers met een vliegbrevet.

13 ¾ september, 1410- Helsdieperwaard, Engeland

Hallelujah, prijst God, Hallelujah, halleluja, halloloeja, hallowadoeja, HALLO! Wat doen jullie daar?
Harrie II ging rechtop in bed zitten en lanceerde daardoor het dienblad op zijn buik door de kamer, het was de zoetgevooisde stem van de Heilige Prostaatus die hij hoorde terwijl de soep tegen het plafond aan vloog. ‘Nee, maak dat jullie wegkomen schavuiten! Anders zullen jullie merken hoe hard die Mariabeelden aan kunnen komen!’
Harrie II hoorde een deur dichtslaan, en even later de stem van Postaatus tegen de hoofd-non, ’Het is gewoon schandalig Wakku, de manier waarop die kleine deugnieten -mogen ze eeuwig branden in de hel- omgaan met de graven van huisdieren. Die kwajongens van net hebben de marmeren steen van Loodje verbrijzeld. Loodje, je weet wel, de kat van de broer van Dorps Gek - god hebben zijn ziel. Harrie II stapte uit bed en liep naar de deur, maar nog voor hij de deur open kon maken zwiepte deze al majestueus open in Harrie’s gezicht. In een reflex haalde Harrie II hard uit met de gietijzeren lepel die naast hem op de grond lag. Hij zag net te laat dat het de non was die binnenkwam, hij raakte haar met uitgestrekte lepel in haar oog.
Ze schreeuwde het uit van de pijn en rende blindelings tegen de pilaar in het midden van de kamer op. Dat was een grove fout, de lepel schoot verder haar oogkast in en doorboorde haar temporale kwab. Harrie II had het geluk dat hij op de lagere school hersenchirurgie had gevolgd, maar zelfs dat mocht niet meer baten, na een paar laatste spuien bloed uit haar halflege oogkas blies Wakku haar laatste adem uit. Harrie II pakte net haar hand op toen de Heilige Prostaatus binnen gestormd kwam. ‘Jezus Christus!’ ‘Nee meneer, het is non Wakku maar’ repliëerde Harrie II direct. ’Jezus, jongen, wat… wat is er in godsnaam gebeurd?’ ‘Het was een reflex meneer, ze kwam net binnen toen ik naar buiten wilde gaan’ Prostaatus keek hem doordringend aan, zuchtte even, en ging toen op Harrie’s bed zitten. ’Luister, Harrie, je bent hier pas twee dagen en nu al ben je aanwezig geweest bij één moord, en heb je, weliswaar door middel van een ongeluk, de hoofd-non om zeep geholpen. Hoe denk je dat de bevolking hierop gaat reageren, dit riekt naar hekserij.’ Harrie II keek beduusd naar z’n voetwerk, dit ging fout, hij kon zich nu al voorstellen hoe de lokale bevolking hem zou lynchen bij het eerste zicht op zijn verschijning. ‘Je hebt nu echt problemen over jezelf afgeroepen, hoe zorgen we ervoor dat we van het lichaam van dat oude takkewijf afkomen zonder dat er vermoedens rijzen in het dorp?’ Harrie dacht hard na, hij wist zeker dat hij diep in de spreekwoordelijke stront zat. Maar hoe diep? Als ze het lichaam zonder verdere tumult weg zouden kunnen krijgen, en de inwoners van Helsdieperwaard niets zouden vermoeden dan zou hij ongeveer tot aan zijn enkels in de stront staan. Mocht er echter iemand achter komen dat hij verantwoordelijk was voor de dood van Wakku, dan zou de stront tot aan z’n lippen staan. De heilige Prostaatus stond op. ’Galopperende paprika’s, dit kan zo niet, wat als ze in mijn kerk wordt gevonden, niemand weet dat jij hier bent jongen, na je kipincident heb ik je stiekem hiernaartoe gebracht vanuit de doctorswoning. Als ze haar zo vinden, dan ben ik hoofdverdachte numero uno.’ Hij pauzeerde even en keek uit het dure glas in lood raam, ’Ik zorg voor het lichaam, probeer jij de rotzooi hier schoon te krijgen, en laat geen vingerafdrukken achter.’ ’Harrie wilde protesteren, maar bedacht zich op tijd dat dit de juiste oplossing was. ‘Ik zal opruimen meester, doe voorzichtig met non Wakku’ ‘Ik ben zo snel mogelijk terug Harrie, maak niemand open in de tussentijd’ Prostaatus tilde het lichaam op, maar hij merkte al snel op dat er bloed uit de oogkas druppelde, ‘snel jongen, geef me dat doopkleed, we willen geen spoor leggen dat ons direct naar haar lichaam leid.’ Harrie overhandigde hem het doopkleed en begon direct zeep te zoeken. Prostaatus nam de non zijdelings op zijn rug en probeerde de deur door te lopen, de non was helaas langer dan de deur breed was, en pas bij de derde klap snapte de oude pastoor dat hij beter zijdelings erdoorheen kon lopen. Zodra Prostaatus de achterdeur uit was gelopen draaide Harrie II de sleutel om in het slot, hij haastte zich naar het schoonmaakhok om zeep, water en doeken te halen. Hij wilde net water pakken uit het voorraadaltaar toen hij gelach achter zich hoorde, hij draaide zich om. Er was niemand te zien in de lange kruisvormige hal van de kerk, hij liep naar het middenpad, en keek om zich heen. Niemand. Hij liep terug naar het altaar en schoof de deksel opzij, hij pakte zijn spullen en wilde net de deksel weer terugleggen toen hij voetstappen hoorde. Weer draaide hij zich om, weer niemand. Hij liep de banken langs, rij voor rij allemaal leeg. Toen wist hij het, de biechthokjes, iemand moest zich in de biechthokjes verstopt hebben. Hij rende langs de schilderijen met de lijdensweg van Jezus en gooide de deur van het eerste hokje met een zwieper van jewelste open. Niets, het volgende hokje, niets, niets, niets en niets. Hij liep naar hokje nummer zes toe. Voorzichtig pakte hij het rijk bewerkte handvat vast. Geluidloos draaide hij, de deur gooide hij open en daar trof hij een wit varken aan. Hij gooide het varken de kerk uit en ging verder met zijn poetsbezigheden. Eerst de lakens, hij schrobde ze helemaal blank, daarna de plavuizen vloer, en als laatste de kast, maar vreemd genoeg stond die er niet meer. Harrie was vrij zeker van zichzelf, een minuut geleden stond die kast er wel nog. Hij draaide zich om, daar was de kast, hij probeerde om door de deur te komen. Een streven dat met elke poging zou mislukken, de afmetingen van de kast overtroffen die van de deur namelijk op elk vlak. Harrie schoot op de kast af en trok zijn beide deuren tegelijk open. En daar was hij, de man die hij ook in de kerk had gehoord, Stads Gek. De broer van Dorps Gek. ‘Wat wil jij nu weer?’ vroeg Harrie II. ‘Ik wil -Noot van de schrijver, denk aan spannende muziek voor de volgende paar woorden- ik wil… ik wil… Ik wil de namen van die klootzakken die de grafsteen van m’n poesje hebben vernield. Stads Gek begon te huilen en Harrie sloeg een arm van mededogen om hem heen. Stads Gek pakte de arm en zette hem in de paraplustandaard naast de deur. ’Ik heb hard moeten werken voor die grafsteen’ snikte de Gek. Harrie II gaf hem enkele woorden van sympathie jegens het arme dier en nadat Stads Gek deze in zijn binnenzak had gestopt stond hij op. ‘Kom’ zei Harrie II, ‘dan gaan we eens kijken in het parochieboek, of we die kleine deugnieten kunnen vinden’ ‘en villen’ voegde Stads Gek daar stilletjes aan toe. De kwajongens werden al snel gevonden, dit deels door het scherpe jeugdige zicht van Harrie II, en deels doordat er bij hun namen “mogen ze eeuwig branden in de hel, met een vleeshaak in hun aars” was toegevoegd door de immer sympathieke en vriendelijke Prostaatus.
Nadat Stads Gek helemaal tevreden was gesteld met de adressen van vijf jongens in de leeftijdscategorie van tussen de acht en twaalf jaar ruimde Harrie II de laatste restjes spetterbloed op. En net toen hij de laatste poetslap had uitgespoeld kwam de Heilige Prostaatus helemaal bezweet en onder de modder de kerk binnen gerend.
‘Nou, ik heb haar goed en diep begraven in de velden van boer Flabbel. Als ze haar daar ooit nog vinden dan eet ik mijn staf op,’ ‘Ehm’ begon Harrie II ‘werd daar niet binnenkort een grote mestkuil gegraven?’ Prostaatus keek even naar de jongen, schudde zijn hoofd en vroeg Harrie II om hem de communiewijn aan te geven en de rest van de dag met rust te laten. Harrie II deed wat de oude man hem vroeg en ging daarna naar zijn kamer boven in de kerktoren van Helsdieperwaard. Rond drie uur ‘s nachts werd hij nog even wakker van een schreeuw die van een jongetje leek te komen, maar de rest van de nacht sliep hij als een tulp.
De zon kroop langzaam door het bladerdak van het Helsdieperwoud, over de brug richting het dorp, om half negen kwam ze aan bij het raam van Harrie II. Hij werd wakker van het gekriebel dat de zonnestralen veroorzaakte en stond direct op. Hij poetste zijn tanden met het water uit de dakrand van de kerk, en trok een schone mantel aan. Toen hij even later de trap afviel zag hij dat Prostaatus bezoek had. Hij strompelde het schip van de kerk binnen en Prostaatus riep vanachter de wacht die voor hem stond; ‘Harrie, zou ge heel even tijd vrij kunnen maken, deze beste man heeft je wat te vragen.’
Harrie kreunde nogmaals en liep naar de wacht toe. Germpie, want zo heette hij, had kennelijk wat vragen voor Harrie II, hem werd namelijk gevraagd of ie even op de trappen voor het altaar wilde komen zitten. ‘Zo Herrie’ begon Germpie, ‘raad eens wat er vannacht is gebeurd’ Harrie dacht even na en antwoordde toen ‘de post is te vroeg gekomen?’ Germpie zuchtte lang en diep, ‘Nee jongen vannacht is er een jongen van ongeveer jou leeftijd bruut aangevallen met een theedoek.’ Hij schraapte even zijn keel en vervolgde toen ‘rond de klok van drieën vannacht is Onno Zulle zo lang geslagen met een theedoek totdat hij het bewustzijn verloor.’ ‘Wat hebben wij daar dan mee te maken’ vroeg Prostaatus op een inbrekende toon. ‘Wat jullie er mee te maken hebben? Jullie hebben er alles mee te maken, kijk eens naar de theedoek die ter plaatse is gevonden!’ Harrie zag het meteen, het was één van de doeken waarmee hij gisteren de rotzooi had opgeruimd. Die smeerlap van een Stads Gek moest hem wel meegenomen hebben. Harrie zag echter ook meteen het tweede probleem, als hij Stads Gek verlinkte zou die natuurlijk naar de wacht stappen met het verhaal over het bloed in de achterkamer van de kerk. En dan zouden ze pas echt in de problemen zitten. Prostaatus wist echter niets van het voorval met Stads Gek en antwoordde dan ook naar alle eerlijkheid, ’Luister beste man, ik weet niet hoe die doek daar is gekomen, of wie Onno Zulle is. Verder kan ik ook niet geloven dat Harrie tot zo iets vreselijks in staat zou kunnen zij… alhoewel… NEE, eh, nee wij weten allebei van niets. Dus…’ hij pakte de doek uit de handen van de wacht ’geef dat maar hier, dan zal ik ervoor zorgen dat zo’n vreselijk monster nooit meer iemand mishandeld met mijn theedoeken.’ Germpie werd zichtbaar kwader en kwader door het overheersende karakter van de pastoor. ‘Meneer ik kan u hier niet zo gemakkelijk weg mee laten komen, heeft veel tijd gekost om erachter te komen van wie deze doek is, en ik laat het niet gebeuren dat we daar vervolgens niets mee bereikt hebben.’ Nu werd Prostaatus echter kwaad, ‘Muskettenlikker dat je d’r bent, er staat gewoon een adres op die theedoek, hoe kan dat zolang geduurd hebben?’ ‘De persoon die daar aan werkte is analfabeet, ja!’ sprak Germpie en verhief zijn stem ‘EN BIJ ANALFABETEN DUURT HET WAT LANGER!’ ‘NOU’ vervolgde Prostaatus ‘MISSCHIEN MOETEN JULLIE DAN VERDOMME MAAR EENS FATSOENLIJK PERSONEEL INHUREN, EN NIET DIE HALVEGARE PAARDENPRIKKER DIE JULLIE NU DAAR ACHTER DE TOONBANK HEBBEN ZITTEN!’ ‘WAT GEEFT U HET RECHT OM OVER ONS PERSONEEL TE OORDELEN!’ schreeuwde Germpie. ’WAT GEEFT U HET RECHT OM OVER MIJN THEEDOEKEN TE OORDELEN!’ brulde prostaatus, ’ga toch eierschalen in je ogen wrijven onverlaat dat ge d‘r bent, Harrie begeleid u nu naar de voordeur, en ik wil u niet meer terugzien voordat er echt bewijs op tafel ligt.’ Harrie keek naar Germpie, deze bolde helemaal op, alsof hij ging ontploffen in een zee van verwensingen. Maar het bleef stil, de wacht ademde diep uit en liep naar de deur, ’U hoort nog van ons.’ De deur viel met een klap in het slot en Prostaatus zakte ineen bij het altaar. ‘Swartzwalder kirsch, wat een gedoe’ pufte de parochiemeester.
Tijdens de avondmis zat Harrie maar wat voor zich uit te staren, al het gedoe rondom Germpie en Stads Gek beviel hem maar niets. En als ze het lijk van Wakku zouden vinden in het veld van boer Flabbel dan zouden de rapen echt aan het branden komen. Toen Harrie er weer volledig met zijn gedachten bij was sprak Prostaatus net de laatste zin van de avondmis, ‘Ook gedenken wij vandaag nogmaals Loodje, de lieve kat van Stads Gek, en de broer van Stads Gek, Dorps Gek, laten wij bidden, Amen’ en zoals bij elke mis sloeg iedereen weer met zijn hoofd tegen de kerkbanken voor zich. Nadat de laatste persoon een kaarsje had aangestoken voor de kat, en één persoon een kerkbank had aangestoken voor de lol vergrendelde Harrie II de kerkdeuren, iets wat normaal nooit gebeurde maar voor vanavond had Prostaatus het hem aangeraden, aangezien Harrie hem het verhaal over Stads Gek had verteld. Prostaatus had daarop beredeneerd dat het goed mogelijk zou zijn de Gek nogmaals zou kunnen komen om meer spullen te zoeken om de kinderen mee te straffen. Kennelijk wilde Gek, die best snugger bleek, de mishandeling van die jongen op Prostaatus en Harrie pinnen.
De rest van de week bleef het gelukkig rustig en stil in Helsdieperwaard, op Vrijdag gingen Harrie II en Prostaatus samen met een elfje en een kabouter champignons zoeken in het Helsdieperwoud en op Zaterdag werd er een klein feestje gehouden op het stadsplein omdat de aangevallen jongen weer bij bewustzijn was gekomen. Jammergenoeg had hij zijn aanvaller niet kunnen identificeren omdat deze een emmer op zijn hoofd had gehad. Wel gonsde er geruchten door het dorp dat dit wel eens één van Prostaatus’ beroemde melk-emmers zou kunnen zijn. Prostaatus verzorgde echter de melkkroketten op het feestje en iedereen was daarom in een behoorlijk vergevingsgezinde bui gestemd. Harrie sloeg het feestje gade vanuit zijn torenraam. Vanuit zijn positie kon hij precies verstaan wat er gezegd werd; ‘Ik -hips- hou wel -hips- van een lekker biertje -hips-’ ‘Haal een emmer, Bassie houd het niet lang meer binnen’ ‘Ah, gatver, Bassie, over de taart! Moest dat nu?’ Harrie keerde zich weg van het raam, en begon maar weer eens in zijn favoriete boek te lezen; ‘Wat dacht God toen hij de strontvlieg schiep?’
Het werd later en later en rond één uur hoorde hij Prostaatus thuiskomen, het werd meteen stil toen deze de grote deuren sloot, en Harrie zakte weg in een diepe slaap. Om vier uur werd hij echter ruw wakker geschud door een paniekerige Prostaatus ’Harrie, snel, kleed je aan er is iets aan de hand op het plein’ Harrie trok het eerste het beste aan wat hij kon vinden en haastte zich met Prostaatus de trap af, eenmaal buiten op het plein bleek dat er een hele menigte rond de put stond. Harrie wilde zich juist door de menigte wurmen toen deze opeens week voor de wacht. Hij zag ze meteen, twee kleine gedaantes rechtopzittend op de putrand. Zelfs van deze afstand kon hij zien dat hun ogen open waren en helemaal rood. De adertjes in hun ogen waren allemaal gesprongen. Ook hun monden stonden open, maar in plaats van een donkere holte waren deze wit vanbinnen. Harrie wilde net gaan kijken wat het was toen een man schreeuwde; ’Die klonter heeft ze verdomme vol met kaarsenvet gegoten.’ Harrie deinsde terug, de gedachte dat iemand gloeiend heet vloeibaar vet in de kelen van die jongens had gegoten vervulde hem met afschuw. Opeens werd hij van achter vast gegrepen. Prostaatus sleepte Harrie met een razende vaart de kerk in, hij sloot de deuren en hurkte tegenover de jongen. ’Harrie, we hebben een groots probleem.’ ’Hoezo’ vroeg Harrie ’wij kunnen het toch niet gedaan hebben, u was op het feest de hele nacht.’ ’Dat maakt nu verder niets uit jongen, het feest was om één uur al afgelopen, nee… het probleem is dat het kaarsenvet uit de voorraad van deze kerk komt. Harrie keek Prostaatus verschrokken aan, er werd opeens hard op de kerkdeur geslagen, Harrie wilde iets zeggen en keek weer naar Prostaatus, maar deze sloot zijn ogen.