zondag 18 november 2007

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk II

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.




Hoofdstuk 2. De beginperiode van een onafwendbare strooptocht naar het verleden van de bastaardkonijn.

12,5 mei 1414- Helsdieperwaard, Engeland


Terwijl de heren Gregorius XII, Benedictus XIII en Johannes XXIII
waren aan het discussiëren wie er nu eigenlijk de echte paus was, zat de twaalfjarige jongenman Harrie II op de stenen omheining van de kerk van het dorpje Helsdieperwaard. Hij staarde naar het kerkhof dat achter de kerk lag. Op dat kerkhof lagen zijn beide ouders begraven in de Broedervisbek familietombe. Hij dacht terug aan zijn jeugd, hij woonde nu al vier jaar bij de Heilige Prostaatus, pastoor van Helsdieperwaard. Sinds de dood van zijn ouders had hij eerst drie jaar bij familie doorgebracht, met name bij Lachertjuh, de broer van zijn moeder. Maar de boomschorsplanterij was failliet gegaan en de Kustertpuddinghs konden niet meer genoeg eten op tafel brengen om ook Harrie II nog te voeden. Van begin 1405 tot eind 1408 had hij bij zijn overgrootouders gewoond, maar nadat deze in 1406 waren overleden besloot hij na twee jaar om op zesjarige leeftijd de wijde wereld in te trekken. Hij zei de twee bijna compleet vergane lichamen van zijn overgrootouders vaarwel, pakte zijn knapzak en ging op weg. Na ongeveer driehonderd meter te hebben gelopen kreeg hij honger en bij gebrek aan geld besloot hij om wat te eten te stelen. Maar hij had pech en al bij de eerste poging om een komkommer te stelen werd hij betrapt door de winkeleigenaar, Meneer Gerstweker. Deze pakte Harrie II bij zijn enkels en hield hem binnenstebuiten , ‘zo, zo, zo jongetje, wat heb jij hierop te zeggen?’ Harrie II wilde wel spreken maar dat kon hij niet. Dit was deels te wijten aan de spanning van het moment, en deels aan het feit dat meneer Gerstweker hem binnenstebuiten vasthield zodat zijn mond tegen zijn maag aan zat gedrukt. Meneer Gerstweker was echter niet dom en keerde de verschrokken jongen weer goed. ‘Zo mannetje, ik vroeg jou daarnet iets.’ Harrie II keek hem aan en besloot het op de zielige ik-heb-honger-maar-geen-geld toer te gooien. ’Maar meneer’ begon hij, ’ik heb honger maar geen geld.’
‘Nu, is dat zo?’ vroeg Gerstweker, ‘dat wil echter nog niet zeggen dat je meteen maar van mensen moet gaan stelen, want stelen is strafbaar en strafbaar zijn betekent dat je er ook daadwerkelijk een straf voor krijgt als iemand je betrapt. Net zoals ik nu gedaan heb. Het probleem is echter dat als ik jou nu naar de wacht breng je opgepakt wordt. En dan wordt je berecht, en iemand berechten kost geld, en dat geld komt van de belastingen en ik betaal een elfmiljoenste deel van die belastingen, dus dat zou beteken dat ik moet betalen omdat jij van mij gestolen hebt. En dat lijkt mij geen goed idee jongeman... dus ik heb een beter oplossing bedacht.’
En zo kwam het dat Harrie II voor maarliefst twee hele jaren bij meneer Gerstweker in de komkommerwinkel ging werken. Totdat ook de komkommerwinkel tenslotte failliet ging door de komst van ‘s werelds eerste buurtsuper in 1410. Meneer Gerstweker pleegde zelfmoord door zichzelf een komkommer in de neus te schuiven en Harrie II besloot om alweer de weide wereld in te trekken. Met veertig komkommers en al het wisselgeld dat nog in de kassa van de komkommerwinkel zat trok hij de stad uit.
Het was zo’n twaalf mijl naar Helsdieperwaard en een gemiddelde slak zou daar zo’n duizend uur over doen. Gelukkig voor hem was Harrie II geen slak maar een Homo sapiens wat betekent dat zijn tocht slechts vijf uur zou hoeven duren. Ware het niet dat het donker was toen hij vertrok uit Windsor en elk gevoel van richting de nu acht jaar oude jongen ontbrak. Na drie keer tegen een boom te zijn aangelopen en vijfmaal in de beek naast de weg te zijn gevallen kwam Harrie II bij het krieken van de morgen toch aan in Helsdieperwaard. Hij wist echter nog niet dat het dorpje Helsdieperwaard heette. Hij wist wel dat er tenminste één randdebiel woonde aangezien de dorpsgek op dat moment met twee emmers vol melk rond de put aan het rennen was terwijl hij blokfluit probeerde te spelen. Dit bleek een dodelijke combinatie want hij liet een emmer los om een toonvariatie aan te brengen op de blokfluit waardoor de emmer op zijn teen terecht kwam. Van schrik slikte hij de blokfluit in en liet hij de andere emmer ook vallen. Hierdoor werd de bestrating die louter uit keien bestond spekglad. Hij gleed uit en viel op zijn achterste. Hierdoor werd de blokfluit als ware het een projectiel uit zijn strot afgevuurd en vloog recht omhoog. De dorpsgek stond op en wilde net zijn emmers oprapen toen de blokfluit terugviel uit de hemel en met een beangstigend krakend geluid zich op de schedel van de dorpsgek stortte. Hierdoor verloor de beste man zowel het bewustzijn als zijn evenwicht en hij tuimelde de put in. Harrie II hoorde in de verste verte een plons en hij stapt voorzichtig over de melkplassen naar de put. Hij keek omlaag, de put was zo donker als een konijnenhol in het donker en terwijl hij zich van de put wegdraaide vielen zijn ogen op de emmers. Hij pakte ze op, er stond een merkteken op en een adres. Harrie II besloot om de emmers terug te brengen en kwam zodoende uit bij de eigenaar van de emmers Johannes P. Prostaatus. Niet alleen bleek De Heilige Prostaatus een heilige, hij was behalve dokter en uitvinder ook de parochiemeester van de gemeente en de enige echte leverancier van melkkroketten. Harrie II wist echter nog niets van de beste man en besloot om het op de traditionele manier aan te pakken. ‘Pardon mijnheer, zijn deze emmers uw bezittingen?’ Vroeg hij op een irritatie opwekkende toon waarvoor menig ander persoon hem direct een klap zou verkopen. ‘Zekers beste jongen’ zei de immer vriendelijke kindervriend Prostaatus ‘maar waar is Dorps Gek mijn trouwe emmerdrager?’ Harrie II verteld de man die met elke minuut meer ontdaan werd over het ongeval van de dorpsgek die Dorps Gek heette. ‘Spijtig is dit nieuws zeker, maar laten we er later bij stilstaan. Aangezien jij mijn emmers zo netjes hebt teruggebracht krijg je van mij een beloning, kom maar mee.’ Harrie II en Prostaatus liepen over het plein waar menig omstander boven de put hing en gingen de kerk binnen die aan de oostelijke kant van het dorp lag. Toen ze binnenkwamen werd Harrie II even verblind door het licht dat weerkaatste in de matzwarte plavuizen vloer. Prostaatus schreed naar het altaar en gebood Harrie II bij hem te komen. Harrie worstelde zich een weg door de mensenmassa die er bijeen was gekomen voor de begrafenis van de kat van de broer van Dorps Gek. Toen hij bij het altaar aankwam vroeg Prostaatus hem om mee te komen naar de ruimte achterin de kerk waar de Melkkroketten werden gemaakt. De beloning, zo bleek, was een melkkroket, iets wat Harrie II al zag aankomen toen de heilige Prostaatus de doos pakte met het opschrift melkkroketten. Harrie vond de mengeling van verse melk en paneermeel heerlijk en hij vroeg om nog een kroket omdat hij op de weg naar Helsdieperwaard alle komkommers al had opgegeten. Prostaatus zei nee, en gebood Harrie II om naast hem te komen zitten op het reservealtaar. ‘Zo jongmens, nu je die lekkere kroket op hebt kunnen we praten, als eerste zou ik graag je naam willen weten.’ ‘Mijn naam is Harrie II zoon van HarrieHenk Broedervisbek, dochter van Maria Gondellied van Kustertpuddingh, broer van mijn broers wiens naam ik eigenlijk niet meer weet.’ ‘Waar wonen je ouders ergens in Britannia?’ vroeg de heilige Prostaatus. ‘Mijn ouders zijn dood, ze zijn begraven in een plaatsje dat Helsdieperwaard heet aangezien dat de plaats is waar hun koets in het ravijn stortte zo vertelde mijn tante.’ ‘Helsdieperwaard zeg je? Dan heb ik misschien goed nieuws voor je, want je bevindt je nu in diezelfde plaats, en ik herken de namen van je ouders. Ik heb zelf meegeholpen om hun verkoolde lichamen weg te halen van het strandje bij het verzuurde meer. Ik weet nu wie jij bent en aangezien ik de historie van je ouders ken hoef je me niet meer te vertellen. Maar nu, laten we teruggaan naar de mis, ik heb hulppastoor Bassie toegewezen aan deze begrafenis omdat hij goed op katten kan oefenen hoe het later met mensen moet. Laten we gaan.’ Ze stonden beide op en gingen terug de grote hal in waar de mis bijna was afgelopen, Harrie II hoorde Bassie nog net de laatste rede zeggen. ‘En aldaar lag hij, kassie wijlen op den straat, de goede vriend een goed huisdier. Oh heer neem Loodje tot u, en laat haar toe in den hemel. Want geen kat verdient het om vijftien mijl meegesleept te worden met een koets omdat haar staart tussen de spaken kwam. Laat ons bidden.’En geheel de zaal sloeg met het voorhoofd tegen de kerkbank voor hen aan. Een misdienaar kwam met een fakkel en stak het rottende lijk van de kat midden in de zaal aan. Na ongeveer vijf minuten begon het zo verschrikkelijk naar verbrand vlees te ruiken dat de zaal ontruimt moest worden en de kat met het doopwater geblust werd.
Eenmaal in de buitenlucht was de markt op het plein in volle gang. Harrie kon de verkopers horen roepen;’Vers stof, koop hier uw stof, vers van de boekenplanken van de bibliotheek!’ en ‘Ratten koop hier uw ratten, voor alle ziektes!’ en in het kraampje ernaast ‘Rattenvallen, koop hier uw rattenvallen tegen alle ziektes!.’ Harrie II was verbaast, hij had dit fenomeen immers nog nooit eerder mogen aanschouwen. Maar zijn verbazing sloeg om in woede toen hij zag dat de melkplassen nog steeds niet opgeruimd waren. Hij klom op een ton en schreeuwde luidkeels ‘Mensen, hoor mij, waarom is de melk niet opgeruimd, is een dode niet genoeg voor jullie, hoeveel moeten er nog volgen na Dorps Gek? Stelletje oorvijgen, hebben jullie dan geen verstand?’ direct na deze uiting van ongenoegen jegens de lokale bevolking was deze het zat, een man pakte een kip van de grond en gooide die in de richting van Harrie II. De kip tokte hevig gedurende de korte vlucht van de handen van de man naar het gezicht van Harrie II. Het was een voltreffer, de snavel ging door de huid van de wang van Harrie heen, en hij ging tegen de vlakte nadat een fractie later de rest van het kippenlichaam zijn slaap trof. Door een waas van het bloed in zijn ogen zag hij de bevolking op hem afstormen. En toen niets meer, de duisternis viel over zijn lichaam.

Geen opmerkingen: