Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.
Hoofdstuk 2. De beginperiode van een onafwendbare strooptocht naar het verleden van de bastaardkonijn.
12,5 mei 1414- Helsdieperwaard, Engeland
Terwijl de heren Gregorius XII, Benedictus XIII en Johannes XXIII waren aan het discussiëren wie er nu eigenlijk de echte paus was, zat de twaalfjarige jongenman Harrie II op de stenen omheining van de kerk van het dorpje Helsdieperwaard. Hij staarde naar het kerkhof dat achter de kerk lag. Op dat kerkhof lagen zijn beide ouders begraven in de Broedervisbek familietombe. Hij dacht terug aan zijn jeugd, hij woonde nu al vier jaar bij de Heilige Prostaatus, pastoor van Helsdieperwaard. Sinds de dood van zijn ouders had hij eerst drie jaar bij familie doorgebracht, met name bij Lachertjuh, de broer van zijn moeder. Maar de boomschorsplanterij was failliet gegaan en de Kustertpuddinghs konden niet meer genoeg eten op tafel brengen om ook Harrie II nog te voeden. Van begin 1405 tot eind 1408 had hij bij zijn overgrootouders gewoond, maar nadat deze in 1406 waren overleden besloot hij na twee jaar om op zesjarige leeftijd de wijde wereld in te trekken. Hij zei de twee bijna compleet vergane lichamen van zijn overgrootouders vaarwel, pakte zijn knapzak en ging op weg. Na ongeveer driehonderd meter te hebben gelopen kreeg hij honger en bij gebrek aan geld besloot hij om wat te eten te stelen. Maar hij had pech en al bij de eerste poging om een komkommer te stelen werd hij betrapt door de winkeleigenaar, Meneer Gerstweker. Deze pakte Harrie II bij zijn enkels en hield hem binnenstebuiten , ‘zo, zo, zo jongetje, wat heb jij hierop te zeggen?’ Harrie II wilde wel spreken maar dat kon hij niet. Dit was deels te wijten aan de spanning van het moment, en deels aan het feit dat meneer Gerstweker hem binnenstebuiten vasthield zodat zijn mond tegen zijn maag aan zat gedrukt. Meneer Gerstweker was echter niet dom en keerde de verschrokken jongen weer goed. ‘Zo mannetje, ik vroeg jou daarnet iets.’ Harrie II keek hem aan en besloot het op de zielige ik-heb-honger-maar-geen-geld toer te gooien. ’Maar meneer’ begon hij, ’ik heb honger maar geen geld.’
‘Nu, is dat zo?’ vroeg Gerstweker, ‘dat wil echter nog niet zeggen dat je meteen maar van mensen moet gaan stelen, want stelen is strafbaar en strafbaar zijn betekent dat je er ook daadwerkelijk een straf voor krijgt als iemand je betrapt. Net zoals ik nu gedaan heb. Het probleem is echter dat als ik jou nu naar de wacht breng je opgepakt wordt. En dan wordt je berecht, en iemand berechten kost geld, en dat geld komt van de belastingen en ik betaal een elfmiljoenste deel van die belastingen, dus dat zou beteken dat ik moet betalen omdat jij van mij gestolen hebt. En dat lijkt mij geen goed idee jongeman... dus ik heb een beter oplossing bedacht.’
En zo kwam het dat Harrie II voor maarliefst twee hele jaren bij meneer Gerstweker in de komkommerwinkel ging werken. Totdat ook de komkommerwinkel tenslotte failliet ging door de komst van ‘s werelds eerste buurtsuper in 1410. Meneer Gerstweker pleegde zelfmoord door zichzelf een komkommer in de neus te schuiven en Harrie II besloot om alweer de weide wereld in te trekken. Met veertig komkommers en al het wisselgeld dat nog in de kassa van de komkommerwinkel zat trok hij de stad uit.
Het was zo’n twaalf mijl naar Helsdieperwaard en een gemiddelde slak zou daar zo’n duizend uur over doen. Gelukkig voor hem was Harrie II geen slak maar een Homo sapiens wat betekent dat zijn tocht slechts vijf uur zou hoeven duren. Ware het niet dat het donker was toen hij vertrok uit Windsor en elk gevoel van richting de nu acht jaar oude jongen ontbrak. Na drie keer tegen een boom te zijn aangelopen en vijfmaal in de beek naast de weg te zijn gevallen kwam Harrie II bij het krieken van de morgen toch aan in Helsdieperwaard. Hij wist echter nog niet dat het dorpje Helsdieperwaard heette. Hij wist wel dat er tenminste één randdebiel woonde aangezien de dorpsgek op dat moment met twee emmers vol melk rond de put aan het rennen was terwijl hij blokfluit probeerde te spelen. Dit bleek een dodelijke combinatie want hij liet een emmer los om een toonvariatie aan te brengen op de blokfluit waardoor de emmer op zijn teen terecht kwam. Van schrik slikte hij de blokfluit in en liet hij de andere emmer ook vallen. Hierdoor werd de bestrating die louter uit keien bestond spekglad. Hij gleed uit en viel op zijn achterste. Hierdoor werd de blokfluit als ware het een projectiel uit zijn strot afgevuurd en vloog recht omhoog. De dorpsgek stond op en wilde net zijn emmers oprapen toen de blokfluit terugviel uit de hemel en met een beangstigend krakend geluid zich op de schedel van de dorpsgek stortte. Hierdoor verloor de beste man zowel het bewustzijn als zijn evenwicht en hij tuimelde de put in. Harrie II hoorde in de verste verte een plons en hij stapt voorzichtig over de melkplassen naar de put. Hij keek omlaag, de put was zo donker als een konijnenhol in het donker en terwijl hij zich van de put wegdraaide vielen zijn ogen op de emmers. Hij pakte ze op, er stond een merkteken op en een adres. Harrie II besloot om de emmers terug te brengen en kwam zodoende uit bij de eigenaar van de emmers Johannes P. Prostaatus. Niet alleen bleek De Heilige Prostaatus een heilige, hij was behalve dokter en uitvinder ook de parochiemeester van de gemeente en de enige echte leverancier van melkkroketten. Harrie II wist echter nog niets van de beste man en besloot om het op de traditionele manier aan te pakken. ‘Pardon mijnheer, zijn deze emmers uw bezittingen?’ Vroeg hij op een irritatie opwekkende toon waarvoor menig ander persoon hem direct een klap zou verkopen. ‘Zekers beste jongen’ zei de immer vriendelijke kindervriend Prostaatus ‘maar waar is Dorps Gek mijn trouwe emmerdrager?’ Harrie II verteld de man die met elke minuut meer ontdaan werd over het ongeval van de dorpsgek die Dorps Gek heette. ‘Spijtig is dit nieuws zeker, maar laten we er later bij stilstaan. Aangezien jij mijn emmers zo netjes hebt teruggebracht krijg je van mij een beloning, kom maar mee.’ Harrie II en Prostaatus liepen over het plein waar menig omstander boven de put hing en gingen de kerk binnen die aan de oostelijke kant van het dorp lag. Toen ze binnenkwamen werd Harrie II even verblind door het licht dat weerkaatste in de matzwarte plavuizen vloer. Prostaatus schreed naar het altaar en gebood Harrie II bij hem te komen. Harrie worstelde zich een weg door de mensenmassa die er bijeen was gekomen voor de begrafenis van de kat van de broer van Dorps Gek. Toen hij bij het altaar aankwam vroeg Prostaatus hem om mee te komen naar de ruimte achterin de kerk waar de Melkkroketten werden gemaakt. De beloning, zo bleek, was een melkkroket, iets wat Harrie II al zag aankomen toen de heilige Prostaatus de doos pakte met het opschrift melkkroketten. Harrie vond de mengeling van verse melk en paneermeel heerlijk en hij vroeg om nog een kroket omdat hij op de weg naar Helsdieperwaard alle komkommers al had opgegeten. Prostaatus zei nee, en gebood Harrie II om naast hem te komen zitten op het reservealtaar. ‘Zo jongmens, nu je die lekkere kroket op hebt kunnen we praten, als eerste zou ik graag je naam willen weten.’ ‘Mijn naam is Harrie II zoon van HarrieHenk Broedervisbek, dochter van Maria Gondellied van Kustertpuddingh, broer van mijn broers wiens naam ik eigenlijk niet meer weet.’ ‘Waar wonen je ouders ergens in Britannia?’ vroeg de heilige Prostaatus. ‘Mijn ouders zijn dood, ze zijn begraven in een plaatsje dat Helsdieperwaard heet aangezien dat de plaats is waar hun koets in het ravijn stortte zo vertelde mijn tante.’ ‘Helsdieperwaard zeg je? Dan heb ik misschien goed nieuws voor je, want je bevindt je nu in diezelfde plaats, en ik herken de namen van je ouders. Ik heb zelf meegeholpen om hun verkoolde lichamen weg te halen van het strandje bij het verzuurde meer. Ik weet nu wie jij bent en aangezien ik de historie van je ouders ken hoef je me niet meer te vertellen. Maar nu, laten we teruggaan naar de mis, ik heb hulppastoor Bassie toegewezen aan deze begrafenis omdat hij goed op katten kan oefenen hoe het later met mensen moet. Laten we gaan.’ Ze stonden beide op en gingen terug de grote hal in waar de mis bijna was afgelopen, Harrie II hoorde Bassie nog net de laatste rede zeggen. ‘En aldaar lag hij, kassie wijlen op den straat, de goede vriend een goed huisdier. Oh heer neem Loodje tot u, en laat haar toe in den hemel. Want geen kat verdient het om vijftien mijl meegesleept te worden met een koets omdat haar staart tussen de spaken kwam. Laat ons bidden.’En geheel de zaal sloeg met het voorhoofd tegen de kerkbank voor hen aan. Een misdienaar kwam met een fakkel en stak het rottende lijk van de kat midden in de zaal aan. Na ongeveer vijf minuten begon het zo verschrikkelijk naar verbrand vlees te ruiken dat de zaal ontruimt moest worden en de kat met het doopwater geblust werd.
Eenmaal in de buitenlucht was de markt op het plein in volle gang. Harrie kon de verkopers horen roepen;’Vers stof, koop hier uw stof, vers van de boekenplanken van de bibliotheek!’ en ‘Ratten koop hier uw ratten, voor alle ziektes!’ en in het kraampje ernaast ‘Rattenvallen, koop hier uw rattenvallen tegen alle ziektes!.’ Harrie II was verbaast, hij had dit fenomeen immers nog nooit eerder mogen aanschouwen. Maar zijn verbazing sloeg om in woede toen hij zag dat de melkplassen nog steeds niet opgeruimd waren. Hij klom op een ton en schreeuwde luidkeels ‘Mensen, hoor mij, waarom is de melk niet opgeruimd, is een dode niet genoeg voor jullie, hoeveel moeten er nog volgen na Dorps Gek? Stelletje oorvijgen, hebben jullie dan geen verstand?’ direct na deze uiting van ongenoegen jegens de lokale bevolking was deze het zat, een man pakte een kip van de grond en gooide die in de richting van Harrie II. De kip tokte hevig gedurende de korte vlucht van de handen van de man naar het gezicht van Harrie II. Het was een voltreffer, de snavel ging door de huid van de wang van Harrie heen, en hij ging tegen de vlakte nadat een fractie later de rest van het kippenlichaam zijn slaap trof. Door een waas van het bloed in zijn ogen zag hij de bevolking op hem afstormen. En toen niets meer, de duisternis viel over zijn lichaam.
zondag 18 november 2007
Mont. Hermonicus, Hoofdstuk I
Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.
Hoofdstuk 1. De ongegronde reden tot nadere inspectie van een ongeschreven regel.
31 November 1402- Windsor, Engeland.
Op het 13de uur Sloeg de klok middernacht. Het was een oude klok, één van die dingen die de familie ongewenst de strot in krijgt geduwd als de schoonmoeder overlijd. Precies op het moment dat de klok zijn laatste slag sloeg kwam het hoofdje van Harrie II tevoorschijn. De verloskundige die zonder enige vorm van opleiding de verlossing verrichtte zei tegen HarrieHenk Broedervisbek de (waarschijnlijke) vader van de zonet ter aarde gekomen baby: ‘Ge zult verbaast zijn mijnheer, hoeveel van dit soort kinderen sterven binnen drie dagen na de geboorte. Ja, er kan van alles gebeuren met uwen kind. Minstens een op den drie overlijd dezelfde avond van de geboorte nog. Een geruststellende gedachte is natuurlijk dat een op de vier de eerste week overleeft. Al overleeft er van die overlevenden maar één op de acht het eerste levensjaar.’ HarrieHenk keek de beste man vreemd aan. Eigenlijk keek hij iedereen vreemd aan, maar dat krijgt een mens als hij een oog mist, een hazenlip heeft, en een bochel die de bochel van de klokkenluider van de Notre-Dame tot een jeugdpuistje doet verbleken. HarrieHenk was dan ook geen geliefd persoon in de lokale omgeving. Zelden kwam hij thuis zonder te zijn uitgemaakt voor kanonskogel-enkel en op zijn werk bij de lokale Appelsteeltjesverwijderfabriek werd hij door zijn twee collega’s Koeplakop en Hatsenflatsch vaak getreiterd of, erger nog, onder gespogen. HarrieHenk vatte dit alles op een ongelofelijk positieve manier op, niet alleen had hij zijn bijnaam kanonskogel-enkel gebruikt als naam voor zijn tweede zoon. Ook gebruikte hij onder gespogen worden als een excuus om zich die dag niet te hoeven wassen. Maar zijn aanwezigheid op deze planeet (aarde) zou snel eindigen.
De moeder van Harrie II, Maria-Gondellied van Kustertpuddingh was een heel ander soort mens. Ten eerste was zij in tegenstelling tot haar man niet afzichtelijk, en ten tweede kon zij wel meer dan drie woorden uitspreken zonder daarbij acht andere mensen ook een koortslip te geven. Harrie II was haar derde zoon, de eerste, Koejenflatsch, was al het huis uit om te gaan studeren op de plaatselijke basisschool, en de tweede Kanonskogel-enkel geheten hielp haar broer Lachertjuh op zijn boomschorsplanterij. Maar Harrie II zou een ander leven geschonken worden. Dat het een bijzonder kind zou worden hadden de sceptische ouders al gemerkt toen hij op zijn tweede levensdag erin slaagde om zowel de kat van de buren aan een gloeiende metalen pook te spietsen, als de buren zelf te vermoorden. Dit door zijn rammelaar tegen de muur aan te gooien waardoor bij de buren de nagels, waaraan het 450 kilo wegende familieschilderij van de familie Harscherblof-blomp hing, uit de stenen trilden. Hierdoor viel het door de rotte vloer van de eerste verdieping heen op de eettafel waaraan de hele familie net een portie appelmoes zat te eten. Twaalf doden in een hoop appelmoes was het gevolg. Het is tot op heden nog niet duidelijk of de dood van de buren aan het vallende schilderij was te wijten, of dat zij allen verdronken waren in de appelmoes.
Twaalf, dat was het getal dat de familie Broedervisbek nog lang zou achtervolgen. Niemand wist precies waarom maar het leven van de Broedervisbekjes zou sinds de geboorte van Harrie II op veel punten in het teken staan van twaalf. Ten eerste was het de twaalfde dag na de geboorte van Harrie II dat de gehele familie omkwam in een ongelukkig koetsongeluk. Eigenlijk zou je kunnen stellen dat dit ook meteen de enige en laatste gebeurtenis was waarbij het nummer twaalf enig verband had. De fatale dag zelf begon heel normaal, eigenlijk verliep het grootste gedeelte van de dag normaal. Tot op het punt dat vader HarrieHenk thuiskwam van de fabriek. Hij ging zoals gewoonlijk aan de top van de tafel zitten, en begon de nieuwtjes van de dag te lispelen. ’Heb je het gehoord Maria?’ vroeg hij aan zijn vrouw die de aardappelen stond te flamberen. ‘Wat moet ik gehoord hebben Harrie’ antwoordde zij op een ijzige toon. ‘Nou dat de koster is overleden natuurlijk. Naar het schijnt is ie tijdens de begrafenis van onze zeer geliefde buren door een plotselinge koude windvlaag die tot onder zijn mantel reikte opgeschrikt en in het graf gekukeld. Nek gebroken. Nu was dat niet zo erg geweest als ie had besloten om de volgende dag maar niet te gaan schaatsen. Kennelijk is ie op de ijsbaan uitgegleden over een bevroren bananenschil. Hierdoor is ie nogmaals ten val gekomen, waardoor het ijs brak en hij in het water viel. Het probleem was kennelijk dat de schotsen die waren weggeschoven toen hij erin viel nu terugklapten en z’n hoofd van z’n romp scheiden. Nee, dat is geen manier voor een man om te gaan.’ ‘Harrie?’ Zei mevrouw Broedervisbek ‘zou je even de voordeur willen openen? Volgens mij is de zeer goedkope en achterlijke oppas er.’ ‘Tuurlijk’ zei HarrieHenk. En hij stond op om de deur open te maken, maar nog voor hij bij de deur was had de gestoorde oppas zichzelf al door de ruit naast de deur heen geworpen. ‘Wat doet gij nu?’ vroeg HarrieHenk. ‘Oh, hallo meneer Broedervisbek’ zei Sloezie de oppas ‘Sorrie voor de ruit maar ik stond al minstens vijf seconden aan te kloppen en ik hoorde nog steeds niets, ik dacht dat er misschien iets... iets... ergs zou zijn gebeurt’ ze sloeg met haar hoofd tegen de kasten op de gang en riep ’Ah, nee geen spruitjes, ik haat olijven!’ Meneer Broedervisbek keek haar zoals gewoonlijk raar aan. ‘doe je wel een beetje rustig deze keer, ik wil geen bloed meer op het tapijt omdat jij zonodig vampiertje wilt gaan spelen met Harrie II. Bedenk dat hij nog maar 12 dagen oud is en nog geen woorden kent die groter zijn dan vijf letters.’ Sloezie knikte en sprong over de tafel heen de keuken in. Daar verwelkomde mevrouw Broedervisbek haar met een afgehakt hoofd, een cadeautje voor Hertog Vlierbess, de organisator van het feestje waar de Broedervisbekken heen moesten die avond. ‘Nu, let goed op Sloezie’ zei mevrouw Broedervisbek ‘Harrie II moet voor drie uur ’s nachts in bed, anders is hij morgen lastig. En zorg ervoor dat je alle deuren afsluit, behalve de achterdeur want we moeten wel een beetje luchten, sinds HarrieHenk een dooie vissen verzameling is begonnen hangt er een vreselijke pijnboom lucht in het huis. Pak gerust wat droog brood uit de kelder en wat water uit de vervuilde put. We zijn rond half twee vannacht terug.’ Na dit gezegd te hebben vertrokken de Broedervisbekken zeer plotseling door het gesneuvelde raam. Buiten stond de koetsier die ze naar het bal van Vlierbess zou brengen. Een klein probleempje was echter dat het echtpaar onderweg zou sterven, helaas voor hen waren ze zich daar niet van bewust. Het was precies vijf voor twaalf toen ze op de weg naast het Von Grugenstorg- ravijn reden. Toen maakte de weg opeens een scherpe bocht naar links. Helaas werd de koetsier door toedoen van de te grote G-krachten in de bocht onwel, waardoor hij de koets regelrecht op het ravijn afstuurde. De paarden braken los, maar de koets reed door het houten hekwerk heen en stortte in het duvelse ravijn. Gelukkig was er onder aan het ravijn een rivier waar de koets inviel, de koetsier zat echter vast aan de teugels en kwam hierdoor onder het wateroppervlak terecht. Dit was niet echt een probleem want de klap op het water had hem al gedood. Meneer en mevrouw Broedervisbek zaten nog versuft in de cabine, maar wisten al snel op het dak van de drijvende koets te klimmen. De wanden van het ravijn waren stijl, en de stroomsnelheid van de rivier was te snel om naar de kant te zwemmen. Dus bleven ze beiden op het dak zitten. Een klein probleempje was echter dat de rivier in een waterval van 132 meter hoog eindigde. Een ander probleempje was dat het meer waarin de waterval neerstortte verzuurd was. Hevig verzuurd. De koets stortte naar beneden met een duizelingwekkende suis. En plonsde in het verzuurde meer. Hierdoor begon de koets langzaam weg te teren. Maar de Broerdervisbekken waren niet dom (behalve HarrieHenk), en gebruikten de botten van de hevig verzuurde en ontbindende koetsier als roeispanen. Na twee uur roeien waarbij het vlees op de handen van beiden onverlaten langzaam wegschroeide doordat ze de met zuur geïmpregneerde botten als roeispanen gebruikte, kwamen ze aan op de kant. Ze strompelden van de koets en gingen in het gras liggen. Ze hadden het gehaald, ze leefden nog. Helaas sloeg vlak daarna de bliksem in waardoor ze alsnog overleden. Spijtig, maar helaas.
Hoofdstuk 1. De ongegronde reden tot nadere inspectie van een ongeschreven regel.
31 November 1402- Windsor, Engeland.
Op het 13de uur Sloeg de klok middernacht. Het was een oude klok, één van die dingen die de familie ongewenst de strot in krijgt geduwd als de schoonmoeder overlijd. Precies op het moment dat de klok zijn laatste slag sloeg kwam het hoofdje van Harrie II tevoorschijn. De verloskundige die zonder enige vorm van opleiding de verlossing verrichtte zei tegen HarrieHenk Broedervisbek de (waarschijnlijke) vader van de zonet ter aarde gekomen baby: ‘Ge zult verbaast zijn mijnheer, hoeveel van dit soort kinderen sterven binnen drie dagen na de geboorte. Ja, er kan van alles gebeuren met uwen kind. Minstens een op den drie overlijd dezelfde avond van de geboorte nog. Een geruststellende gedachte is natuurlijk dat een op de vier de eerste week overleeft. Al overleeft er van die overlevenden maar één op de acht het eerste levensjaar.’ HarrieHenk keek de beste man vreemd aan. Eigenlijk keek hij iedereen vreemd aan, maar dat krijgt een mens als hij een oog mist, een hazenlip heeft, en een bochel die de bochel van de klokkenluider van de Notre-Dame tot een jeugdpuistje doet verbleken. HarrieHenk was dan ook geen geliefd persoon in de lokale omgeving. Zelden kwam hij thuis zonder te zijn uitgemaakt voor kanonskogel-enkel en op zijn werk bij de lokale Appelsteeltjesverwijderfabriek werd hij door zijn twee collega’s Koeplakop en Hatsenflatsch vaak getreiterd of, erger nog, onder gespogen. HarrieHenk vatte dit alles op een ongelofelijk positieve manier op, niet alleen had hij zijn bijnaam kanonskogel-enkel gebruikt als naam voor zijn tweede zoon. Ook gebruikte hij onder gespogen worden als een excuus om zich die dag niet te hoeven wassen. Maar zijn aanwezigheid op deze planeet (aarde) zou snel eindigen.
De moeder van Harrie II, Maria-Gondellied van Kustertpuddingh was een heel ander soort mens. Ten eerste was zij in tegenstelling tot haar man niet afzichtelijk, en ten tweede kon zij wel meer dan drie woorden uitspreken zonder daarbij acht andere mensen ook een koortslip te geven. Harrie II was haar derde zoon, de eerste, Koejenflatsch, was al het huis uit om te gaan studeren op de plaatselijke basisschool, en de tweede Kanonskogel-enkel geheten hielp haar broer Lachertjuh op zijn boomschorsplanterij. Maar Harrie II zou een ander leven geschonken worden. Dat het een bijzonder kind zou worden hadden de sceptische ouders al gemerkt toen hij op zijn tweede levensdag erin slaagde om zowel de kat van de buren aan een gloeiende metalen pook te spietsen, als de buren zelf te vermoorden. Dit door zijn rammelaar tegen de muur aan te gooien waardoor bij de buren de nagels, waaraan het 450 kilo wegende familieschilderij van de familie Harscherblof-blomp hing, uit de stenen trilden. Hierdoor viel het door de rotte vloer van de eerste verdieping heen op de eettafel waaraan de hele familie net een portie appelmoes zat te eten. Twaalf doden in een hoop appelmoes was het gevolg. Het is tot op heden nog niet duidelijk of de dood van de buren aan het vallende schilderij was te wijten, of dat zij allen verdronken waren in de appelmoes.
Twaalf, dat was het getal dat de familie Broedervisbek nog lang zou achtervolgen. Niemand wist precies waarom maar het leven van de Broedervisbekjes zou sinds de geboorte van Harrie II op veel punten in het teken staan van twaalf. Ten eerste was het de twaalfde dag na de geboorte van Harrie II dat de gehele familie omkwam in een ongelukkig koetsongeluk. Eigenlijk zou je kunnen stellen dat dit ook meteen de enige en laatste gebeurtenis was waarbij het nummer twaalf enig verband had. De fatale dag zelf begon heel normaal, eigenlijk verliep het grootste gedeelte van de dag normaal. Tot op het punt dat vader HarrieHenk thuiskwam van de fabriek. Hij ging zoals gewoonlijk aan de top van de tafel zitten, en begon de nieuwtjes van de dag te lispelen. ’Heb je het gehoord Maria?’ vroeg hij aan zijn vrouw die de aardappelen stond te flamberen. ‘Wat moet ik gehoord hebben Harrie’ antwoordde zij op een ijzige toon. ‘Nou dat de koster is overleden natuurlijk. Naar het schijnt is ie tijdens de begrafenis van onze zeer geliefde buren door een plotselinge koude windvlaag die tot onder zijn mantel reikte opgeschrikt en in het graf gekukeld. Nek gebroken. Nu was dat niet zo erg geweest als ie had besloten om de volgende dag maar niet te gaan schaatsen. Kennelijk is ie op de ijsbaan uitgegleden over een bevroren bananenschil. Hierdoor is ie nogmaals ten val gekomen, waardoor het ijs brak en hij in het water viel. Het probleem was kennelijk dat de schotsen die waren weggeschoven toen hij erin viel nu terugklapten en z’n hoofd van z’n romp scheiden. Nee, dat is geen manier voor een man om te gaan.’ ‘Harrie?’ Zei mevrouw Broedervisbek ‘zou je even de voordeur willen openen? Volgens mij is de zeer goedkope en achterlijke oppas er.’ ‘Tuurlijk’ zei HarrieHenk. En hij stond op om de deur open te maken, maar nog voor hij bij de deur was had de gestoorde oppas zichzelf al door de ruit naast de deur heen geworpen. ‘Wat doet gij nu?’ vroeg HarrieHenk. ‘Oh, hallo meneer Broedervisbek’ zei Sloezie de oppas ‘Sorrie voor de ruit maar ik stond al minstens vijf seconden aan te kloppen en ik hoorde nog steeds niets, ik dacht dat er misschien iets... iets... ergs zou zijn gebeurt’ ze sloeg met haar hoofd tegen de kasten op de gang en riep ’Ah, nee geen spruitjes, ik haat olijven!’ Meneer Broedervisbek keek haar zoals gewoonlijk raar aan. ‘doe je wel een beetje rustig deze keer, ik wil geen bloed meer op het tapijt omdat jij zonodig vampiertje wilt gaan spelen met Harrie II. Bedenk dat hij nog maar 12 dagen oud is en nog geen woorden kent die groter zijn dan vijf letters.’ Sloezie knikte en sprong over de tafel heen de keuken in. Daar verwelkomde mevrouw Broedervisbek haar met een afgehakt hoofd, een cadeautje voor Hertog Vlierbess, de organisator van het feestje waar de Broedervisbekken heen moesten die avond. ‘Nu, let goed op Sloezie’ zei mevrouw Broedervisbek ‘Harrie II moet voor drie uur ’s nachts in bed, anders is hij morgen lastig. En zorg ervoor dat je alle deuren afsluit, behalve de achterdeur want we moeten wel een beetje luchten, sinds HarrieHenk een dooie vissen verzameling is begonnen hangt er een vreselijke pijnboom lucht in het huis. Pak gerust wat droog brood uit de kelder en wat water uit de vervuilde put. We zijn rond half twee vannacht terug.’ Na dit gezegd te hebben vertrokken de Broedervisbekken zeer plotseling door het gesneuvelde raam. Buiten stond de koetsier die ze naar het bal van Vlierbess zou brengen. Een klein probleempje was echter dat het echtpaar onderweg zou sterven, helaas voor hen waren ze zich daar niet van bewust. Het was precies vijf voor twaalf toen ze op de weg naast het Von Grugenstorg- ravijn reden. Toen maakte de weg opeens een scherpe bocht naar links. Helaas werd de koetsier door toedoen van de te grote G-krachten in de bocht onwel, waardoor hij de koets regelrecht op het ravijn afstuurde. De paarden braken los, maar de koets reed door het houten hekwerk heen en stortte in het duvelse ravijn. Gelukkig was er onder aan het ravijn een rivier waar de koets inviel, de koetsier zat echter vast aan de teugels en kwam hierdoor onder het wateroppervlak terecht. Dit was niet echt een probleem want de klap op het water had hem al gedood. Meneer en mevrouw Broedervisbek zaten nog versuft in de cabine, maar wisten al snel op het dak van de drijvende koets te klimmen. De wanden van het ravijn waren stijl, en de stroomsnelheid van de rivier was te snel om naar de kant te zwemmen. Dus bleven ze beiden op het dak zitten. Een klein probleempje was echter dat de rivier in een waterval van 132 meter hoog eindigde. Een ander probleempje was dat het meer waarin de waterval neerstortte verzuurd was. Hevig verzuurd. De koets stortte naar beneden met een duizelingwekkende suis. En plonsde in het verzuurde meer. Hierdoor begon de koets langzaam weg te teren. Maar de Broerdervisbekken waren niet dom (behalve HarrieHenk), en gebruikten de botten van de hevig verzuurde en ontbindende koetsier als roeispanen. Na twee uur roeien waarbij het vlees op de handen van beiden onverlaten langzaam wegschroeide doordat ze de met zuur geïmpregneerde botten als roeispanen gebruikte, kwamen ze aan op de kant. Ze strompelden van de koets en gingen in het gras liggen. Ze hadden het gehaald, ze leefden nog. Helaas sloeg vlak daarna de bliksem in waardoor ze alsnog overleden. Spijtig, maar helaas.
Abonneren op:
Posts (Atom)