maandag 7 september 2009

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk VII

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 7. Kwartels zijn ook maar dieren, en niet onaardig in de wegen van het lassen.

3.78 Januari, 1411- Nabij York, Engeland

Maar net toen ze rand vrijwel overvlogen stopte de stroom en vielen ze in de bosjes die aan de rots muur groeide, hier bleven ze even hangen, het meer was kennelijk opgedroogd. Prostaatus gebaarde dat Harrie II stil moest zijn, en Harrie riep ‘Oké meneer, fluisterstil!’ Prostaatus sloeg hem met een doornige tak, en Harrie huilde in stilde. De wachten kamen bij de rand staan en bleven wachten op de wachtende wachten op de wal naast het leeggelopen meer. ‘Ik zie ze niet commandant!’ riep een wacht genaamd Slofer. ‘Wrah, ze moeten er zijn, blijf kijken!’ ‘IK ZIE ZE… niet!’ riep de wacht die al de hele tijd met een emmer op zijn hoofd de horlepiep stond te dansen. ‘Ietsje meer naar voren lopen Strammert, dan zie je ze wel’ sprak het hoofd van de brigade. Strammert liep met emmer en al het ravijn in, en Harrie zag hem langs vallen en hoorde het metaal van de emmer tegen de rotswanden slaan. ’Zo, daar zijn we ook weer vanaf’ sprak de commandant. ’Vort, iedereen weer op zijn paard, we vertrekken, verspreid het nieuws dat Prostaatus en die Jongen in het ravijn zijn gevallen na een gevecht met de dappere wacht Strammert!’ ‘Jawel commandant!’ Sprak fruitige Frits de goednieuws brengende goednieuws brenger. De wachten klommen op hun paarden en reden weg. Prostaatus keek naar Harrie, Harrie keek naar Gert-Jan-Kleasman van Karrevracht tot Zuyderzee, en die vroeg, ‘Zegt beste heren, zoud het u eens goed vallen alst ik aan u vroeg om uit mijn struik te verkassen?’ ‘Gaat uw gang beste man’ sprak Prostaatus in een rijmelarij die niemand opviel. Gert-Jan-Kleasman ging staan in de struik, hij ademde diep en vroeg, ‘Zoud jullie misschiens uit mijn struikt willen verkassen?’ ‘Jawel!’ riep Harrie terwijl hij de doornen uit zijn enkels trok. Prostaatus tilde Harrie op en gooide hem hoog boven de struik uit boven op de rand van het ravijn. ‘Bedankt voor uw gastvrijheid beste kerel, toffe vent, en geestverwant’ zei Prostaatus tegen Gert-Jan-Kleasman. Deze boog diep en ging weer in de doornen zitten. Prostaatus maakte een grote sprong en lande met een salto naast Harrie bovenaan het ravijn. Harrie keek de verte in die hij had meegenomen uit York. ‘Waar heb je die verte vandaan jongen?’ vroeg de oude pastoor. ‘Die lag in de Kreutsvaardel meneer.’ ‘Geef eens hier Harrie, ik moeten even kijken wa-’ Prostaatus wierp de verte de diepte in en maande Harrie door te lopen. Het meer had een grote puinzooi van het bos gemaakt, de modder stond een halve meter diep en overal lagen vissen te spartelen in de drap. Prostaatus en Harrie liepen stevig door, drie dagen en drie nachten liepen ze vergezeld van epische muziek door het noeste binnenland van Groot Britannia. Tot ze uiteindelijk bij Kingston Upon Hull aankwamen, een havenstad aan de oostkust van Britannia. Voor ze de stad binnengingen sprak Prostaatus, ’Luister Harrie, ik ken wel wat mensen in Kingston, misschien kunnen we een boot regelen naar Frankrijk, in plaats van het hele einde te moeten lopen. De bisschop hier is een goede vriend van me, en het lijkt me wijs om hem even een bezoekje te brengen.’ ’Het lijkt mij wijs om even een gat in de grond op te zoeken meneer, want ik moet behoorlijk nodig, en het topje van de bruine ijsberg steekt al boven zeeniveau uit.’ Harrie liet het hem zien en nadat Prostaatus die keer overgegeven had liet hij Harrie even rustig het bos in gaan. Nadat Harrie een paar kadetjes in de struiken had verstopt liepen hij en Prostaatus gezaamlijk de stad in. Prostaatus had Harrie’s idee om eerst de lokale pub te bezoeken afgekeurd, en ze liepen nu de binnen steegjes van de stad door op weg naar het Huys van Scharlaeken. In het Huys woonde William Wallersblock, een oude kameraad van Prostaatus die de man al jaren niet meer gehoord had. Harrie merkte direct waarom toen bleek dat William niet kon praten. Hij gebaarde naar Prostaatus en Harrie om binnen te treden in zijn Huys, een groot en statig gebouw aan de noordzijde van de stad. Harrie mocht William meteen al niet, deels omdat de beste man hem vreemd aankeek met zijn drie wenkbrauwen, maar ook omdat Harrie een hekel had aan gehandicapte mensen en verschrikkelijk racistisch was voor een negen jaar oude knul. Prostaatus leek de man echter wel te mogen en was in een uitbundige symfonie van gebaren en tekens uit aan het leggen waarom ze naar Frankrijk moesten. Harrie wist het antwoord al, dus hij besloot om een beetje rond te neuzen in het Huys. Het bleek dat William een grote jager was, Harrie trof in de zitkamer hoofden aan van allerlei dieren en mensen. Harrie, die zelf niet geheel onbekend was met de grote geneugten van het jagen, herkende meteen één van de hoofden van de Koninklijke familie, een zeer kostbare en zeldzame trofee. Want de Koninklijke familie werd steeds minder vaak in het wild gesignaleerd.
Het was niet lang daarna dat Prostaatus Harrie gebood bij hem te komen, ‘jongen, William mijn goede spraakloze vriend heeft me verteld dat hij ons morgen toegang tot de haven zal verschaffen in een briljant maar nog niet uitgelegd plan dat hij al jaren geleden heeft uitgedokterd toen hij zand naar Frankrijk wilde verschepen zonder dat iemand dat zou merken.’ ‘Grandioos meneer’ riep een opteleurgewekte Harrie. Prostaatus keek hem vriendelijk aan en Harrie werd bang. William kwam tussen beiden instaan en gebaarde naar de trap, en wees omhoog. ‘Wat is er beste kerel?’ vroeg Prostaatus, ‘is er iets met de trap?’ William gebaarde, ‘Wat? is er iets met een trapladder? Nee? Eh… met een trapluik, trapzolder? trapfiets? trapeze? traploper… eh, traphuisje? trapdoos? trapval? trapboot? Nee, wacht, ik weet het, trapslaapzak!? Nee? Goed, doortrapt?’ ‘Ik denk dat hij wil dat we mee naar boven gaan meneer’ deed Harrie als duit in het zakje. ‘Dat is een idee Harrie, en geen echte duit’ zei Prostaatus, ‘als je geen echte duiten hebt moet je gewoon niets in het zakje stoppen. Maar je hebt misschien, of wellicht, of waarschijnlijk, gelijk! Laten we William volgen naar boven!’ William zuchtte en nam het voortouw. Hij bond het aan de trapleuning en liep langzaam naar boven. Prostaatus volgde en Harrie jatte de overige duiten uit het zakje. Eenmaal op de overloop gebaarde William dat Harrie en Prostaatus moesten wachten, Prostaatus vatte dit echter op als een opdracht om luidkeels het Ave Maria te zingen, maar Harrie wist hem duidelijk te maken wat William echt bedoelde. William opende een zijdeurtje en beval het kleine orkest in de kamer achter de deur om dramatische muziek te gaan spelen. Hij sloot de deur en de muziek werd gedempt, maar was nog steeds goed hoorbaar. William gebaarde dat Harrie en Prostaatus moesten volgen, nog voordat Prostaatus de boodschap verkeerd kon interpreteren had Harrie al besloten hem te vertellen wat William bedoelde en zodoende ging Prostaatus niet weer in de fout. Ze volgden William een donkere kamer in, William zette Harrie en Prostaatus in het midden en schuifelde toen achterwaarts de kamer uit. Hij sloot de deur en opeens was het pikkedonker in de kleine ruimte. Tot het licht aan ging. Harrie zag meteen dat ze in de diepe penarie zaten. Ze waren omsingeld door de mannen van de landheer, en die stond zelf te grinniken bij een raam, ‘Zo, zo, zo, zo, zo, zo, zo, etc, etc, enz, enz. dus jullie dachten wel eventjes te ontsnappen uit de handen’ ‘klauwen sire’ verbeterde een wacht hem. ‘Stilte Slofer, ik deel hier de kussens uit! Ehum, in ieder geval, dus jij dacht te ontsnappen Prostaatus? Nu, niet zolang ik dit heb!’ De landheer hield het Boek Des Eeuwigen omhoog, samen met de levensverhalen van Harrie en Prostaatus. ‘Het heeft me wat tijd gekost om deze te laten vinden tussen de resten van het archief, maar ik weet nu alles over jullie twee. Stelletje onbenullige honden, dachten jullie nu werkelijk dat ik te stom was om tot drie te tellen?’ Harrie wilde een grap maken die in de lijn der verwachtingen lag, maar Prostaatus was hem voor, ‘Ja, en je moeder ruikt naar pijnbomen!’ De landheer gromde en draaide zich terug om naar het raam en begon een lange preek over de geschiedenis van zijn erfgoed. Harrie telde intussen de wachten, slechts vijf, die konden ze wel aan, hij keek naar Prostaatus en die knikte. Prostaatus greep zijn zwitsersezakbijbel en gooide hem tegen de kruisboog van één van de wachten, door de klap ging de boog af en vloog de pijl door de keel van een andere wacht, Harrie was op de grond gedoken en had de benen onder de andere wacht uitgehaald. Hij gooide ze net uit het raam toen de Landheer zijn zwaard uit zijn schede trok. Prostaatus pakte de kruisboog van de dode wacht en schoot de eerste wacht achter zijn knieschijf, de wacht zakte op de grond. Harrie pakte Prostaatus’ bijbel en wierp die naar de Landheer, deze sloeg hem tegen de muur met zijn zwaard en rende op Harrie af. Prostaatus pakte een gietijzeren kandelaar van de muur en smeet hem naar de landheer, de kandelaars rijk bewerkte krommingen schoven over het lemmet van het zwaard van de landheer, en die liet het vallen. Prostaatus dook op de boeken en kwam in een worsteling met de landheer. Harrie rende rondjes en schreeuwde naar de koekoeksklok die hevig tokte omdat het vijf uur was. Er kwamen nieuwe wachten binnengestormd door een zijdeur en Prostaatus sprong op, hij greep Harrie bij zijn kraag en rende de kamer uit. Onderweg kwamen ze William tegen die verschrikt een zijkamer in dook.
Ze schoten de oneven weggetjes van Hull in, Prostaatus greep Harrie achter zijn navel en sleurde hem exact op tijd de hoek om. Twee wachten hinkelden langs. Prostaatus bleef even tegen de muur hangen… “Oké… hier is het plan, we gaan naar de haven en nemen het eerste schip dat ons meenemen wil. Akkoord meneer” zei Harrie. “nu meneer? Of gaan we eerst nog ergens iets eten?”
“iets eten?”
“ja, heb nogal honger… rennen, vallen, duiken, opstaan… krijg er honger van”
“nu niet jongen, op het schip misschien”
Hij stond op, keek om de hoek van de steeg en gebaarde naar Harrie. Harrie reageerde niet. Prostaatus pakte een steen op en gooide die op de kuit van de jongen, “kom”op, we gaan”
Harrie strompelde achter hem aan de steeg uit. Ze renden door de straten en zagen in de haven een schip haar trossen loshalen. “kom mee jongen, snel”
Harrie – nog steeds geteisterd door de wond van de steen – strompelde in vliegensvlugge vliegende vaart naar het schip, dat al vanaf de kade begon te wijken. Prostaatus rende langs de boorden en riep naar het dek, een oude man kwam naar de reling, “wat wil je oude man?”
“ik moet weg uit Engeland, ik heb geld, waar gaan jullie heen?”
“Rotterdam… we hebben zout aan boord en gaan kaas halen”
“kunnen wij mee?”
“wie is wij beste man, ik zie enkel u, u bent toch geen schizofreen die in zichzelf praat en twee keer z’n handen wast na het toiletteren toch?”
“nee, ik ben met mijn parochie hulp, Harrie II”
“waar is deze hulp waarover u spreekt, oh onverantwoorde man die niet kijkt waar hij loopt?”
“vlak achter m- Harrie!?”
“Hier meneer! Mijn enkel heeft het helaas begeven door uw onfortuinlijke steenworp van eerder, en de wachten van de landheer komen in snelle vaart aangeschoten als opgehitste wolven die een lammetje hebbe-“
“oké jongen… rustig aan, ik kom eraan” Prostaatus holde terug en raapte Harrie op.
“schipper, is uw antwoord ja of nee, we moeten nu weg, u ziet het gevaar”
De schipper schatte de situatie in en besloot geheel onlogisch om ja te zeggen en daarmee (naar later blijkt, want ja, hij gaat dood) zijn eigen lot te bezegelen.
“komt u snel aan boord, we moeten nu gaan” zei Harrie, die al snel besefte dat het niet zijn tekst zou moeten zijn.
Prostaatus tikte hem op zijn vingers en riep, “gaat door beste man”
“komt u snel aan boord, we moeten nu gaan” riep de schipper, Prostaatus sprong op een vat op de kade en dook aan boord. Hij viel met een harde klap op het dek en zag achter zich de wachten van de landheer aan komen rennen en wijzen. “snel schipper we moeten hier weg!” riep Prostaatus. De schipper knikte.
“in de riemen stelletje boterviolen, trek deze schuit sneller de haven uit dan je hand uit de broek van een travestiet!”
De boot schoof sneller en sneller weg van de wal, maar sommige wachten waagden het toch nog op een sprong. Één wacht haalde het nog net en klom met getrokken zwaard aan boord. Prostaatus ging voor de logische oplossing.
“beste man” zei hij.
“Wat mot je ouwe, met gezwets kom je hier niet meer uit.” sprak de (kennelijk) kwaadaardige wacht. (het is een immers veelgemaakte fout om te denken dat alle antagonisten direct kwaadaardig zijn, het is in recente fictie al vaker voor gekomen dat juist de protagonist kwaadaardig is en de antagonist uiteindelijk een heer van een vent blijkt te zijn. Nu, de reden waarom de lezer de protagonist toch voor antagonist aanziet is vrij simpel. De schrijver, of auteur (die woorden zijn vrijwel synoniem voor elkander) laat de lezer denken dat de antagonist echt de kwaadwillige is door hem als zodanig op te stellen vanuit het oogpunt van de hoofdpersoon. Maar men kan door middel van een zogenaamde plot twist het hele verhaal doen kantelen als een boot in stormige zee door de protagonist opeens opnieuw te introduceren als de antagonist. Maar, dat gaat in dit verhaal niet gebeuren, dus excuses voor het ongemak. Vriendelijke groeten Echbert HuifVocht van Vondeltocht tot Enkersbergen,

Auteur en artiestennaam voor de echte auteur die zijn naam niet gaat onthullen in dit verhaal of boekwerk.

Veel leesplezier toewenst,

Uw uitgever Hans P. Perkut – Drommelen)

Prostaatus sprak de wacht weer toe; “komaan beste man, gebruik je hersenen eens. Ge zijt toch niet een van die mensen die gelooft dat ge werkelijk maar één tiende van uw gehele hersencapaciteit gebruikt? Toch? Dat is namelijk volkomen nonsens. Nee, denk eens na, hoe lang leeft gij al?”
“Weet ik veel... ik hou dat niet zo goed bij!” schreeuwde de wacht. “Ik ga u nu oppakken, dat is mijn taak in deze gebeurtenis!”
“Maar beste man, mag ik dan weten wat uw naam is?” Vroeg Prostaatus geheel normaal.
“Mijn naam?” De wacht keek verbaast “Ik weet mijn naam niet” riep de wacht.
“Ik weet zijn naam” Riep een commandant die vanaf de kade met het schip mee rende. “Hij heet Wacht 'spring op schip'!”
“Ah, kijk nu komen we ergens” zei Prostaatus. “Weet je waarom je zo heet beste jongen?”
“Nee... niet echt” zei de wacht die nu zijn zwaard liet zakken. “wat een rare naam”
“Nu kijk” Zei Prostaatus “jij heet zo omdat op het schip springen jou actie is in dit verhaal”
“Dus?!” riep de wacht.
“Nou, je hebt geen volledige naam omdat je behalve op het schip springen niet veel doet in dit specifieke verhaal... het kan natuurlijk zo zijn dat je in de toekomst nog een keer in een volgend boek terecht komt dat zich ook in dit universum afspeelt, maar voor nu is dat je enige actie.”
“Maar... wat moet ik nu dan doen?” Vroeg de wacht verbaasd.
“Je gaat dood... sterker nog, je had allang dood moeten zijn!” riep de commandant vanaf de kade. “maar die ouwe is aan het improviseren... hij gaat het verhaal te buiten.
Dit kun je niet maken Prostaatus!” riep de commandant.
“Luister niet naar hem jongen” sprak Prostaatus tegen de wacht. “ik bied je een manier aan om te blijven leven, je had eigenlijk al moeten sterven doordat ik een vat naar je toe zou rollen dat je rug zou breken terwijl je tegen de reling van dit schip op gesmeten zou worden. Maar ik bied je een uitweg, kijk, als je nu ee-” een vat vloog langs Prostaatus en sloeg de wacht tegen de reling aan, een luide knak gaf aan dat zijn rug brak, en hij viel achterwaarts de zee in. “Harrie!” riep Prostaatus “waarom deed je dat nu weer?”
“luister meneer” Begon Harrie, “We zitten alweer bijna vier hoofdstukken in deze flashback... en dan begint u hem nog langer op te rekken dan hoeft, door het verhaal te negeren en te proberen in de derde persoon de macht van de schrijver over te nemen. Daar heb ik dus, met alle respect, geen zin in. We houden ons aan het verhaal, oké?”
“Fijn... als jij dat per se wil, verder met het verhaal dan maar” mokte Prostaatus nors.
Harrie keerde zich naar de kapitein (Kufteren genaamd, dat had eigenlijk al eerder duidelijk moeten worden, maar Prostaatus gooide roet in het eten met z'n irritante gezwets, enfin)
“Meneer van Kufteren, zo snel mogelijk naar het rijk der zeven provinciën, ik en m'n meester moeten zo snel mogelijk weer aan wal komen!”
“Hoezo zo snel mogelijk jonge heer, is uw zaak zo gehaast?” Vroeg de kapitein.
“Dat” Zei Harrie, “en ik heb een zwakke maag, dus tenzij de dekken nog een poetsbeurt willen deze reis kan ik beter zo snel mogelijk weer van boort worden gelaten.”
Prostaatus kwam naderbij, en zei tegen de kapitein, “beste man” ging aan de reling staan en begon het Deense volkslied te neuriën.
De kapitein leek verbaasd, maar zei niets. Harrie zei wel iets, maar dat sloeg nergens op en iedereen besloot het maar te negeren. Harrie ging aan de reling staan en begon een diep gesprek met Prostaatus over de winkel gewoontes van vrouwen. Toen zei de kapitein opeens “hé, het is maar dat jullie het weten... maar ik heb – einde hoofdstuk op onverwachte plaats