dinsdag 11 maart 2008

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk III

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 3. Het ongeïnspireerde leven van Jezus opnieuw onder de loep genomen door twaalf deskundige stropers met een vliegbrevet.

13 ¾ september, 1410- Helsdieperwaard, Engeland

Hallelujah, prijst God, Hallelujah, halleluja, halloloeja, hallowadoeja, HALLO! Wat doen jullie daar?
Harrie II ging rechtop in bed zitten en lanceerde daardoor het dienblad op zijn buik door de kamer, het was de zoetgevooisde stem van de Heilige Prostaatus die hij hoorde terwijl de soep tegen het plafond aan vloog. ‘Nee, maak dat jullie wegkomen schavuiten! Anders zullen jullie merken hoe hard die Mariabeelden aan kunnen komen!’
Harrie II hoorde een deur dichtslaan, en even later de stem van Postaatus tegen de hoofd-non, ’Het is gewoon schandalig Wakku, de manier waarop die kleine deugnieten -mogen ze eeuwig branden in de hel- omgaan met de graven van huisdieren. Die kwajongens van net hebben de marmeren steen van Loodje verbrijzeld. Loodje, je weet wel, de kat van de broer van Dorps Gek - god hebben zijn ziel. Harrie II stapte uit bed en liep naar de deur, maar nog voor hij de deur open kon maken zwiepte deze al majestueus open in Harrie’s gezicht. In een reflex haalde Harrie II hard uit met de gietijzeren lepel die naast hem op de grond lag. Hij zag net te laat dat het de non was die binnenkwam, hij raakte haar met uitgestrekte lepel in haar oog.
Ze schreeuwde het uit van de pijn en rende blindelings tegen de pilaar in het midden van de kamer op. Dat was een grove fout, de lepel schoot verder haar oogkast in en doorboorde haar temporale kwab. Harrie II had het geluk dat hij op de lagere school hersenchirurgie had gevolgd, maar zelfs dat mocht niet meer baten, na een paar laatste spuien bloed uit haar halflege oogkas blies Wakku haar laatste adem uit. Harrie II pakte net haar hand op toen de Heilige Prostaatus binnen gestormd kwam. ‘Jezus Christus!’ ‘Nee meneer, het is non Wakku maar’ repliëerde Harrie II direct. ’Jezus, jongen, wat… wat is er in godsnaam gebeurd?’ ‘Het was een reflex meneer, ze kwam net binnen toen ik naar buiten wilde gaan’ Prostaatus keek hem doordringend aan, zuchtte even, en ging toen op Harrie’s bed zitten. ’Luister, Harrie, je bent hier pas twee dagen en nu al ben je aanwezig geweest bij één moord, en heb je, weliswaar door middel van een ongeluk, de hoofd-non om zeep geholpen. Hoe denk je dat de bevolking hierop gaat reageren, dit riekt naar hekserij.’ Harrie II keek beduusd naar z’n voetwerk, dit ging fout, hij kon zich nu al voorstellen hoe de lokale bevolking hem zou lynchen bij het eerste zicht op zijn verschijning. ‘Je hebt nu echt problemen over jezelf afgeroepen, hoe zorgen we ervoor dat we van het lichaam van dat oude takkewijf afkomen zonder dat er vermoedens rijzen in het dorp?’ Harrie dacht hard na, hij wist zeker dat hij diep in de spreekwoordelijke stront zat. Maar hoe diep? Als ze het lichaam zonder verdere tumult weg zouden kunnen krijgen, en de inwoners van Helsdieperwaard niets zouden vermoeden dan zou hij ongeveer tot aan zijn enkels in de stront staan. Mocht er echter iemand achter komen dat hij verantwoordelijk was voor de dood van Wakku, dan zou de stront tot aan z’n lippen staan. De heilige Prostaatus stond op. ’Galopperende paprika’s, dit kan zo niet, wat als ze in mijn kerk wordt gevonden, niemand weet dat jij hier bent jongen, na je kipincident heb ik je stiekem hiernaartoe gebracht vanuit de doctorswoning. Als ze haar zo vinden, dan ben ik hoofdverdachte numero uno.’ Hij pauzeerde even en keek uit het dure glas in lood raam, ’Ik zorg voor het lichaam, probeer jij de rotzooi hier schoon te krijgen, en laat geen vingerafdrukken achter.’ ’Harrie wilde protesteren, maar bedacht zich op tijd dat dit de juiste oplossing was. ‘Ik zal opruimen meester, doe voorzichtig met non Wakku’ ‘Ik ben zo snel mogelijk terug Harrie, maak niemand open in de tussentijd’ Prostaatus tilde het lichaam op, maar hij merkte al snel op dat er bloed uit de oogkas druppelde, ‘snel jongen, geef me dat doopkleed, we willen geen spoor leggen dat ons direct naar haar lichaam leid.’ Harrie overhandigde hem het doopkleed en begon direct zeep te zoeken. Prostaatus nam de non zijdelings op zijn rug en probeerde de deur door te lopen, de non was helaas langer dan de deur breed was, en pas bij de derde klap snapte de oude pastoor dat hij beter zijdelings erdoorheen kon lopen. Zodra Prostaatus de achterdeur uit was gelopen draaide Harrie II de sleutel om in het slot, hij haastte zich naar het schoonmaakhok om zeep, water en doeken te halen. Hij wilde net water pakken uit het voorraadaltaar toen hij gelach achter zich hoorde, hij draaide zich om. Er was niemand te zien in de lange kruisvormige hal van de kerk, hij liep naar het middenpad, en keek om zich heen. Niemand. Hij liep terug naar het altaar en schoof de deksel opzij, hij pakte zijn spullen en wilde net de deksel weer terugleggen toen hij voetstappen hoorde. Weer draaide hij zich om, weer niemand. Hij liep de banken langs, rij voor rij allemaal leeg. Toen wist hij het, de biechthokjes, iemand moest zich in de biechthokjes verstopt hebben. Hij rende langs de schilderijen met de lijdensweg van Jezus en gooide de deur van het eerste hokje met een zwieper van jewelste open. Niets, het volgende hokje, niets, niets, niets en niets. Hij liep naar hokje nummer zes toe. Voorzichtig pakte hij het rijk bewerkte handvat vast. Geluidloos draaide hij, de deur gooide hij open en daar trof hij een wit varken aan. Hij gooide het varken de kerk uit en ging verder met zijn poetsbezigheden. Eerst de lakens, hij schrobde ze helemaal blank, daarna de plavuizen vloer, en als laatste de kast, maar vreemd genoeg stond die er niet meer. Harrie was vrij zeker van zichzelf, een minuut geleden stond die kast er wel nog. Hij draaide zich om, daar was de kast, hij probeerde om door de deur te komen. Een streven dat met elke poging zou mislukken, de afmetingen van de kast overtroffen die van de deur namelijk op elk vlak. Harrie schoot op de kast af en trok zijn beide deuren tegelijk open. En daar was hij, de man die hij ook in de kerk had gehoord, Stads Gek. De broer van Dorps Gek. ‘Wat wil jij nu weer?’ vroeg Harrie II. ‘Ik wil -Noot van de schrijver, denk aan spannende muziek voor de volgende paar woorden- ik wil… ik wil… Ik wil de namen van die klootzakken die de grafsteen van m’n poesje hebben vernield. Stads Gek begon te huilen en Harrie sloeg een arm van mededogen om hem heen. Stads Gek pakte de arm en zette hem in de paraplustandaard naast de deur. ’Ik heb hard moeten werken voor die grafsteen’ snikte de Gek. Harrie II gaf hem enkele woorden van sympathie jegens het arme dier en nadat Stads Gek deze in zijn binnenzak had gestopt stond hij op. ‘Kom’ zei Harrie II, ‘dan gaan we eens kijken in het parochieboek, of we die kleine deugnieten kunnen vinden’ ‘en villen’ voegde Stads Gek daar stilletjes aan toe. De kwajongens werden al snel gevonden, dit deels door het scherpe jeugdige zicht van Harrie II, en deels doordat er bij hun namen “mogen ze eeuwig branden in de hel, met een vleeshaak in hun aars” was toegevoegd door de immer sympathieke en vriendelijke Prostaatus.
Nadat Stads Gek helemaal tevreden was gesteld met de adressen van vijf jongens in de leeftijdscategorie van tussen de acht en twaalf jaar ruimde Harrie II de laatste restjes spetterbloed op. En net toen hij de laatste poetslap had uitgespoeld kwam de Heilige Prostaatus helemaal bezweet en onder de modder de kerk binnen gerend.
‘Nou, ik heb haar goed en diep begraven in de velden van boer Flabbel. Als ze haar daar ooit nog vinden dan eet ik mijn staf op,’ ‘Ehm’ begon Harrie II ‘werd daar niet binnenkort een grote mestkuil gegraven?’ Prostaatus keek even naar de jongen, schudde zijn hoofd en vroeg Harrie II om hem de communiewijn aan te geven en de rest van de dag met rust te laten. Harrie II deed wat de oude man hem vroeg en ging daarna naar zijn kamer boven in de kerktoren van Helsdieperwaard. Rond drie uur ‘s nachts werd hij nog even wakker van een schreeuw die van een jongetje leek te komen, maar de rest van de nacht sliep hij als een tulp.
De zon kroop langzaam door het bladerdak van het Helsdieperwoud, over de brug richting het dorp, om half negen kwam ze aan bij het raam van Harrie II. Hij werd wakker van het gekriebel dat de zonnestralen veroorzaakte en stond direct op. Hij poetste zijn tanden met het water uit de dakrand van de kerk, en trok een schone mantel aan. Toen hij even later de trap afviel zag hij dat Prostaatus bezoek had. Hij strompelde het schip van de kerk binnen en Prostaatus riep vanachter de wacht die voor hem stond; ‘Harrie, zou ge heel even tijd vrij kunnen maken, deze beste man heeft je wat te vragen.’
Harrie kreunde nogmaals en liep naar de wacht toe. Germpie, want zo heette hij, had kennelijk wat vragen voor Harrie II, hem werd namelijk gevraagd of ie even op de trappen voor het altaar wilde komen zitten. ‘Zo Herrie’ begon Germpie, ‘raad eens wat er vannacht is gebeurd’ Harrie dacht even na en antwoordde toen ‘de post is te vroeg gekomen?’ Germpie zuchtte lang en diep, ‘Nee jongen vannacht is er een jongen van ongeveer jou leeftijd bruut aangevallen met een theedoek.’ Hij schraapte even zijn keel en vervolgde toen ‘rond de klok van drieën vannacht is Onno Zulle zo lang geslagen met een theedoek totdat hij het bewustzijn verloor.’ ‘Wat hebben wij daar dan mee te maken’ vroeg Prostaatus op een inbrekende toon. ‘Wat jullie er mee te maken hebben? Jullie hebben er alles mee te maken, kijk eens naar de theedoek die ter plaatse is gevonden!’ Harrie zag het meteen, het was één van de doeken waarmee hij gisteren de rotzooi had opgeruimd. Die smeerlap van een Stads Gek moest hem wel meegenomen hebben. Harrie zag echter ook meteen het tweede probleem, als hij Stads Gek verlinkte zou die natuurlijk naar de wacht stappen met het verhaal over het bloed in de achterkamer van de kerk. En dan zouden ze pas echt in de problemen zitten. Prostaatus wist echter niets van het voorval met Stads Gek en antwoordde dan ook naar alle eerlijkheid, ’Luister beste man, ik weet niet hoe die doek daar is gekomen, of wie Onno Zulle is. Verder kan ik ook niet geloven dat Harrie tot zo iets vreselijks in staat zou kunnen zij… alhoewel… NEE, eh, nee wij weten allebei van niets. Dus…’ hij pakte de doek uit de handen van de wacht ’geef dat maar hier, dan zal ik ervoor zorgen dat zo’n vreselijk monster nooit meer iemand mishandeld met mijn theedoeken.’ Germpie werd zichtbaar kwader en kwader door het overheersende karakter van de pastoor. ‘Meneer ik kan u hier niet zo gemakkelijk weg mee laten komen, heeft veel tijd gekost om erachter te komen van wie deze doek is, en ik laat het niet gebeuren dat we daar vervolgens niets mee bereikt hebben.’ Nu werd Prostaatus echter kwaad, ‘Muskettenlikker dat je d’r bent, er staat gewoon een adres op die theedoek, hoe kan dat zolang geduurd hebben?’ ‘De persoon die daar aan werkte is analfabeet, ja!’ sprak Germpie en verhief zijn stem ‘EN BIJ ANALFABETEN DUURT HET WAT LANGER!’ ‘NOU’ vervolgde Prostaatus ‘MISSCHIEN MOETEN JULLIE DAN VERDOMME MAAR EENS FATSOENLIJK PERSONEEL INHUREN, EN NIET DIE HALVEGARE PAARDENPRIKKER DIE JULLIE NU DAAR ACHTER DE TOONBANK HEBBEN ZITTEN!’ ‘WAT GEEFT U HET RECHT OM OVER ONS PERSONEEL TE OORDELEN!’ schreeuwde Germpie. ’WAT GEEFT U HET RECHT OM OVER MIJN THEEDOEKEN TE OORDELEN!’ brulde prostaatus, ’ga toch eierschalen in je ogen wrijven onverlaat dat ge d‘r bent, Harrie begeleid u nu naar de voordeur, en ik wil u niet meer terugzien voordat er echt bewijs op tafel ligt.’ Harrie keek naar Germpie, deze bolde helemaal op, alsof hij ging ontploffen in een zee van verwensingen. Maar het bleef stil, de wacht ademde diep uit en liep naar de deur, ’U hoort nog van ons.’ De deur viel met een klap in het slot en Prostaatus zakte ineen bij het altaar. ‘Swartzwalder kirsch, wat een gedoe’ pufte de parochiemeester.
Tijdens de avondmis zat Harrie maar wat voor zich uit te staren, al het gedoe rondom Germpie en Stads Gek beviel hem maar niets. En als ze het lijk van Wakku zouden vinden in het veld van boer Flabbel dan zouden de rapen echt aan het branden komen. Toen Harrie er weer volledig met zijn gedachten bij was sprak Prostaatus net de laatste zin van de avondmis, ‘Ook gedenken wij vandaag nogmaals Loodje, de lieve kat van Stads Gek, en de broer van Stads Gek, Dorps Gek, laten wij bidden, Amen’ en zoals bij elke mis sloeg iedereen weer met zijn hoofd tegen de kerkbanken voor zich. Nadat de laatste persoon een kaarsje had aangestoken voor de kat, en één persoon een kerkbank had aangestoken voor de lol vergrendelde Harrie II de kerkdeuren, iets wat normaal nooit gebeurde maar voor vanavond had Prostaatus het hem aangeraden, aangezien Harrie hem het verhaal over Stads Gek had verteld. Prostaatus had daarop beredeneerd dat het goed mogelijk zou zijn de Gek nogmaals zou kunnen komen om meer spullen te zoeken om de kinderen mee te straffen. Kennelijk wilde Gek, die best snugger bleek, de mishandeling van die jongen op Prostaatus en Harrie pinnen.
De rest van de week bleef het gelukkig rustig en stil in Helsdieperwaard, op Vrijdag gingen Harrie II en Prostaatus samen met een elfje en een kabouter champignons zoeken in het Helsdieperwoud en op Zaterdag werd er een klein feestje gehouden op het stadsplein omdat de aangevallen jongen weer bij bewustzijn was gekomen. Jammergenoeg had hij zijn aanvaller niet kunnen identificeren omdat deze een emmer op zijn hoofd had gehad. Wel gonsde er geruchten door het dorp dat dit wel eens één van Prostaatus’ beroemde melk-emmers zou kunnen zijn. Prostaatus verzorgde echter de melkkroketten op het feestje en iedereen was daarom in een behoorlijk vergevingsgezinde bui gestemd. Harrie sloeg het feestje gade vanuit zijn torenraam. Vanuit zijn positie kon hij precies verstaan wat er gezegd werd; ‘Ik -hips- hou wel -hips- van een lekker biertje -hips-’ ‘Haal een emmer, Bassie houd het niet lang meer binnen’ ‘Ah, gatver, Bassie, over de taart! Moest dat nu?’ Harrie keerde zich weg van het raam, en begon maar weer eens in zijn favoriete boek te lezen; ‘Wat dacht God toen hij de strontvlieg schiep?’
Het werd later en later en rond één uur hoorde hij Prostaatus thuiskomen, het werd meteen stil toen deze de grote deuren sloot, en Harrie zakte weg in een diepe slaap. Om vier uur werd hij echter ruw wakker geschud door een paniekerige Prostaatus ’Harrie, snel, kleed je aan er is iets aan de hand op het plein’ Harrie trok het eerste het beste aan wat hij kon vinden en haastte zich met Prostaatus de trap af, eenmaal buiten op het plein bleek dat er een hele menigte rond de put stond. Harrie wilde zich juist door de menigte wurmen toen deze opeens week voor de wacht. Hij zag ze meteen, twee kleine gedaantes rechtopzittend op de putrand. Zelfs van deze afstand kon hij zien dat hun ogen open waren en helemaal rood. De adertjes in hun ogen waren allemaal gesprongen. Ook hun monden stonden open, maar in plaats van een donkere holte waren deze wit vanbinnen. Harrie wilde net gaan kijken wat het was toen een man schreeuwde; ’Die klonter heeft ze verdomme vol met kaarsenvet gegoten.’ Harrie deinsde terug, de gedachte dat iemand gloeiend heet vloeibaar vet in de kelen van die jongens had gegoten vervulde hem met afschuw. Opeens werd hij van achter vast gegrepen. Prostaatus sleepte Harrie met een razende vaart de kerk in, hij sloot de deuren en hurkte tegenover de jongen. ’Harrie, we hebben een groots probleem.’ ’Hoezo’ vroeg Harrie ’wij kunnen het toch niet gedaan hebben, u was op het feest de hele nacht.’ ’Dat maakt nu verder niets uit jongen, het feest was om één uur al afgelopen, nee… het probleem is dat het kaarsenvet uit de voorraad van deze kerk komt. Harrie keek Prostaatus verschrokken aan, er werd opeens hard op de kerkdeur geslagen, Harrie wilde iets zeggen en keek weer naar Prostaatus, maar deze sloot zijn ogen.

Geen opmerkingen: