zondag 18 november 2007

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk I

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 1. De ongegronde reden tot nadere inspectie van een ongeschreven regel.

31 November 1402- Windsor, Engeland.

Op het 13de uur Sloeg de klok middernacht. Het was een oude klok, één van die dingen die de familie ongewenst de strot in krijgt geduwd als de schoonmoeder overlijd. Precies op het moment dat de klok zijn laatste slag sloeg kwam het hoofdje van Harrie II tevoorschijn. De verloskundige die zonder enige vorm van opleiding de verlossing verrichtte zei tegen HarrieHenk Broedervisbek de (waarschijnlijke) vader van de zonet ter aarde gekomen baby: ‘Ge zult verbaast zijn mijnheer, hoeveel van dit soort kinderen sterven binnen drie dagen na de geboorte. Ja, er kan van alles gebeuren met uwen kind. Minstens een op den drie overlijd dezelfde avond van de geboorte nog. Een geruststellende gedachte is natuurlijk dat een op de vier de eerste week overleeft. Al overleeft er van die overlevenden maar één op de acht het eerste levensjaar.’ HarrieHenk keek de beste man vreemd aan. Eigenlijk keek hij iedereen vreemd aan, maar dat krijgt een mens als hij een oog mist, een hazenlip heeft, en een bochel die de bochel van de klokkenluider van de Notre-Dame tot een jeugdpuistje doet verbleken. HarrieHenk was dan ook geen geliefd persoon in de lokale omgeving. Zelden kwam hij thuis zonder te zijn uitgemaakt voor kanonskogel-enkel en op zijn werk bij de lokale Appelsteeltjesverwijderfabriek werd hij door zijn twee collega’s Koeplakop en Hatsenflatsch vaak getreiterd of, erger nog, onder gespogen. HarrieHenk vatte dit alles op een ongelofelijk positieve manier op, niet alleen had hij zijn bijnaam kanonskogel-enkel gebruikt als naam voor zijn tweede zoon. Ook gebruikte hij onder gespogen worden als een excuus om zich die dag niet te hoeven wassen. Maar zijn aanwezigheid op deze planeet (aarde) zou snel eindigen.

De moeder van Harrie II, Maria-Gondellied van Kustertpuddingh was een heel ander soort mens. Ten eerste was zij in tegenstelling tot haar man niet afzichtelijk, en ten tweede kon zij wel meer dan drie woorden uitspreken zonder daarbij acht andere mensen ook een koortslip te geven. Harrie II was haar derde zoon, de eerste, Koejenflatsch, was al het huis uit om te gaan studeren op de plaatselijke basisschool, en de tweede Kanonskogel-enkel geheten hielp haar broer Lachertjuh op zijn boomschorsplanterij. Maar Harrie II zou een ander leven geschonken worden. Dat het een bijzonder kind zou worden hadden de sceptische ouders al gemerkt toen hij op zijn tweede levensdag erin slaagde om zowel de kat van de buren aan een gloeiende metalen pook te spietsen, als de buren zelf te vermoorden. Dit door zijn rammelaar tegen de muur aan te gooien waardoor bij de buren de nagels, waaraan het 450 kilo wegende familieschilderij van de familie Harscherblof-blomp hing, uit de stenen trilden. Hierdoor viel het door de rotte vloer van de eerste verdieping heen op de eettafel waaraan de hele familie net een portie appelmoes zat te eten. Twaalf doden in een hoop appelmoes was het gevolg. Het is tot op heden nog niet duidelijk of de dood van de buren aan het vallende schilderij was te wijten, of dat zij allen verdronken waren in de appelmoes.

Twaalf, dat was het getal dat de familie Broedervisbek nog lang zou achtervolgen. Niemand wist precies waarom maar het leven van de Broedervisbekjes zou sinds de geboorte van Harrie II op veel punten in het teken staan van twaalf. Ten eerste was het de twaalfde dag na de geboorte van Harrie II dat de gehele familie omkwam in een ongelukkig koetsongeluk. Eigenlijk zou je kunnen stellen dat dit ook meteen de enige en laatste gebeurtenis was waarbij het nummer twaalf enig verband had. De fatale dag zelf begon heel normaal, eigenlijk verliep het grootste gedeelte van de dag normaal. Tot op het punt dat vader HarrieHenk thuiskwam van de fabriek. Hij ging zoals gewoonlijk aan de top van de tafel zitten, en begon de nieuwtjes van de dag te lispelen. ’Heb je het gehoord Maria?’ vroeg hij aan zijn vrouw die de aardappelen stond te flamberen. ‘Wat moet ik gehoord hebben Harrie’ antwoordde zij op een ijzige toon. ‘Nou dat de koster is overleden natuurlijk. Naar het schijnt is ie tijdens de begrafenis van onze zeer geliefde buren door een plotselinge koude windvlaag die tot onder zijn mantel reikte opgeschrikt en in het graf gekukeld. Nek gebroken. Nu was dat niet zo erg geweest als ie had besloten om de volgende dag maar niet te gaan schaatsen. Kennelijk is ie op de ijsbaan uitgegleden over een bevroren bananenschil. Hierdoor is ie nogmaals ten val gekomen, waardoor het ijs brak en hij in het water viel. Het probleem was kennelijk dat de schotsen die waren weggeschoven toen hij erin viel nu terugklapten en z’n hoofd van z’n romp scheiden. Nee, dat is geen manier voor een man om te gaan.’ ‘Harrie?’ Zei mevrouw Broedervisbek ‘zou je even de voordeur willen openen? Volgens mij is de zeer goedkope en achterlijke oppas er.’ ‘Tuurlijk’ zei HarrieHenk. En hij stond op om de deur open te maken, maar nog voor hij bij de deur was had de gestoorde oppas zichzelf al door de ruit naast de deur heen geworpen. ‘Wat doet gij nu?’ vroeg HarrieHenk. ‘Oh, hallo meneer Broedervisbek’ zei Sloezie de oppas ‘Sorrie voor de ruit maar ik stond al minstens vijf seconden aan te kloppen en ik hoorde nog steeds niets, ik dacht dat er misschien iets... iets... ergs zou zijn gebeurt’ ze sloeg met haar hoofd tegen de kasten op de gang en riep ’Ah, nee geen spruitjes, ik haat olijven!’ Meneer Broedervisbek keek haar zoals gewoonlijk raar aan. ‘doe je wel een beetje rustig deze keer, ik wil geen bloed meer op het tapijt omdat jij zonodig vampiertje wilt gaan spelen met Harrie II. Bedenk dat hij nog maar 12 dagen oud is en nog geen woorden kent die groter zijn dan vijf letters.’ Sloezie knikte en sprong over de tafel heen de keuken in. Daar verwelkomde mevrouw Broedervisbek haar met een afgehakt hoofd, een cadeautje voor Hertog Vlierbess, de organisator van het feestje waar de Broedervisbekken heen moesten die avond. ‘Nu, let goed op Sloezie’ zei mevrouw Broedervisbek ‘Harrie II moet voor drie uur ’s nachts in bed, anders is hij morgen lastig. En zorg ervoor dat je alle deuren afsluit, behalve de achterdeur want we moeten wel een beetje luchten, sinds HarrieHenk een dooie vissen verzameling is begonnen hangt er een vreselijke pijnboom lucht in het huis. Pak gerust wat droog brood uit de kelder en wat water uit de vervuilde put. We zijn rond half twee vannacht terug.’ Na dit gezegd te hebben vertrokken de Broedervisbekken zeer plotseling door het gesneuvelde raam. Buiten stond de koetsier die ze naar het bal van Vlierbess zou brengen. Een klein probleempje was echter dat het echtpaar onderweg zou sterven, helaas voor hen waren ze zich daar niet van bewust. Het was precies vijf voor twaalf toen ze op de weg naast het Von Grugenstorg- ravijn reden. Toen maakte de weg opeens een scherpe bocht naar links. Helaas werd de koetsier door toedoen van de te grote G-krachten in de bocht onwel, waardoor hij de koets regelrecht op het ravijn afstuurde. De paarden braken los, maar de koets reed door het houten hekwerk heen en stortte in het duvelse ravijn. Gelukkig was er onder aan het ravijn een rivier waar de koets inviel, de koetsier zat echter vast aan de teugels en kwam hierdoor onder het wateroppervlak terecht. Dit was niet echt een probleem want de klap op het water had hem al gedood. Meneer en mevrouw Broedervisbek zaten nog versuft in de cabine, maar wisten al snel op het dak van de drijvende koets te klimmen. De wanden van het ravijn waren stijl, en de stroomsnelheid van de rivier was te snel om naar de kant te zwemmen. Dus bleven ze beiden op het dak zitten. Een klein probleempje was echter dat de rivier in een waterval van 132 meter hoog eindigde. Een ander probleempje was dat het meer waarin de waterval neerstortte verzuurd was. Hevig verzuurd. De koets stortte naar beneden met een duizelingwekkende suis. En plonsde in het verzuurde meer. Hierdoor begon de koets langzaam weg te teren. Maar de Broerdervisbekken waren niet dom (behalve HarrieHenk), en gebruikten de botten van de hevig verzuurde en ontbindende koetsier als roeispanen. Na twee uur roeien waarbij het vlees op de handen van beiden onverlaten langzaam wegschroeide doordat ze de met zuur geïmpregneerde botten als roeispanen gebruikte, kwamen ze aan op de kant. Ze strompelden van de koets en gingen in het gras liggen. Ze hadden het gehaald, ze leefden nog. Helaas sloeg vlak daarna de bliksem in waardoor ze alsnog overleden. Spijtig, maar helaas.

Geen opmerkingen: