maandag 14 april 2008

Mont. Hermonicus, Hoofdstuk V

Melding voor men begint met lezen: alle gebeurtenissen en personages zijn fictief, zelfs diegenen die hun oorsprong in de werkelijkheid vinden.


Hoofdstuk 5. Het leren omgaan met een geladen pistool op een kinderfeestje.

28,0003 september, 1410- Het Helsdieperwoud, Engeland

Prostaatus sprong in de kuil waar Harrie II zojuist in gevallen was. Het rotsblok schoot over hun hoofden en rolde, links en rechts bomen brekend, het bos in. Prostaatus schudde aan Harrie, maar deze werd niet wakker. Hij schudde harder, nog steeds geen reactie, hij schudde nog harder… niet eens een krimp. Hij sloeg Harrie II driemaal in het gezicht met vlakke hand. Geen enkel teken van leven. Hij knipte zijn vingers, en Harrie II sprong op. ‘Wat is er, wat is er, ik heb geen duiven in mijn mouw!’ schreeuwde Harrie II. ‘Jongen, kom bij zinnen’ riep Prostaatus ‘we moeten snel weg hier, het zal niet lang duren voor de burgers van Helsdieperwaard achter ons aankomen!’ Hij trok Harrie II overeind en klopte zijn schouders af. Harrie II klopte zijn schouders nogmaals af en wreef toen even in zijn ogen. ‘Ik kijk even of de kust veilig is’ zei Prostaatus, en hij keek over de rand van de kuil richting dorp. Harrie, die hevig knipperde omdat hij zojuist zand in zijn eigen ogen had gewreven, klom op een boomwortel en keek ook over de rand. ‘Oké, niemand te zien, snel jongen!’ Prostaatus klom vliegensvlug, of zo vlug als water, of in ieder geval heel snel, uit de kuil en draaide zich om. Hij bukte zich en trok ook Harrie II uit de kuil, beiden begonnen snel terug te rennen naar de kapel van heilige Kees. Eenmaal daar aangekomen renden ze de trap van de kerktoren op om naar het dorp te kijken. Vlammen sloegen uit enkele van de huizen en het leek alsof de oostelijke horizon in brand stond. De heuvels achter Helsdieperwaard waren veranderd in een hel op aarde. Vuurkolommen van tientallen meters hoog schoten de lucht in en zelfs in de kapel konden Harrie en Prostaatus nog steeds het geschreeuw en geroep in het dorp horen. Prostaatus draaide zich om, en zei tegen Harrie dat hij zijn bed maar eens ging opzoeken, Harrie knikte en terwijl Prostaatus achterstevoren de trap af liep ging Harrie II op zijn eigen bed zitten. Hij staarde naar de rotte houten planken en dacht terug aan het huisje van Stads Gek, hoe kwam het dat het Archief des Eeuwigen zich in Helsdieperwaard bevond? En wat was die ‘wraak’ waar de Landheer over had gesproken? En hoe wist de Landheer dat ze in het archief waren? En waarom kon hij de slaap maar niet vatten? En waarom bleef hij zichzelf maar vragen stellen terwijl hij het antwoord erop niet wist? En waarom stopte hij daar dan niet mee? En waarom was hij er nog steeds niet mee gestopt? En waarom…
Harrie II viel in slaap, met zijn hoofd op het klamme en met mos overdekte kussen, en met zijn benen in de paddestoelen aan het voeteneind.
Die volgende morgen, de 28ste september werd er druk gewerkt in het dorp. De brokstukken werden opgeruimd en de huizen gerepareerd. De kerk werd echter niet herbouwd, dit op een bevel van de Landheer. Deze had zichzelf overigens tot het middelpunt van de meeste gesprekken gepromoveerd. Men vroeg zich af hoe het kwam dat hij plots de kerk uitgerend kwam terwijl hij eigenlijk in het kasteel hoorde te zijn. De grote explosie had bij veel mensen ook een vreemd soort interesse opgewekt naar het doen en laten van de landheer. Het was immers de Landheer geweest die ‘maak dat je weg komt, het gaat de lucht in!’ geschreeuwd had toen hij de kerk uitrende. Tel daarbij op dat er duizenden verkoolde vellen papier door de lucht zweefden na de ontploffing, en je begrijpt dat er veel onrust was in Helsdieperwaard. Bijkomend voordeel van de ontploffing was wel dat men te druk was met andere dingen om ook nog eens te blijven zoeken naar Harrie II en Prostaatus. De twee metgezellen hadden daarbij het voordeel dat niemand ze gezien had tijdens de gebeurtenissen van gisteravond. Iets waar ze de volgende dag dankbaar gebruik van maakten om weer eens een echt feestmaal te kunnen bereiden. Prostaatus vilde twee kippen en Harrie II plukte een konijn kaal. De konijn belande in de stoofpot en de kippen werden omgetoverd tot pudding. Prostaatus had zelfs een liter konijnenmelk te pakken gekregen en was daar nu melkkroketten van aan het maken. Harrie II zette net de laatste schaal en kelk op tafel -deze kwamen uit het altaar van de kapel- toen Prostaatus de melkkroketten voltooide. Beiden genoten ze van de overheerlijke maaltijd. En die avond sliepen ze allebei als een blok. De volgende ochtend werd Harrie II echter ruw gewekt door zijn meester ‘Snel Harrie kleed je aan en kom mee, dit moet je horen.’ Harrie kleedde zich zo snel als fysiek mogelijk was om en haastte zich de trap op naar het hoogste vertrek van de kapel. Prostaatus stond bij een gigantisch koperen apparaat en legde zijn oor tegen één van de uitsteeksels. ‘Wat is dit voor ding meneer?’ vroeg Harrie II, zijnde de onschuld zelf. ‘Dit, beste jongen’ verklaarde Prostaatus ‘is een Orofoon, een apparaat dat ik bedacht heb om dingen op grote afstand te kunnen horen.’ Prostaatus wees naar het midden van het apparaat dat uit het raam van de toren hing en op een gigantische grammofoon speler leek, ‘Dit is de vernuftige constructie waardoor dit apparaat zijn werk goed kan doen, binnenin deze behuizing bevind zich de Aquelopor, een geavanceerd stukje techniek dat geluidsgolven supersnel laat weerkaatsen binnenin een bol van metaal, hierdoor worden alle echo’s bij het oorspronkelijke geluid opgeteld en krijgt men een veel luider geluid!’ Harrie II bedacht zich dat hij niets snapte van wat de beste man net had gezegd en vroeg hem daarom maar de meest voor de hand liggende vraag, ‘Waarom is water doorzichtig?’ Prostaatus sloeg zijn vraag uit de lucht, en nadat deze kapot viel op de grond antwoordde hij, ‘Dat doet er nu niet toe Harrie, ik wil graag dat je hier naar luistert.’ Hij zette de Orofoon aan en vervolgde ‘Het is de landheer, hij wil een grotere en betere zoekactie!’ Harrie II ging naast Prostaatus staan en legde zijn oor tegen een tuit, hij vroeg zich af waarom hij niets hoorde, maar nog voor hij kon reageren trok Prostaatus hem al weg bij de theepot en duwde hij Harrie tegen de Orofoon. Hij wees ‘Luister!’ ‘kggg, kggg, -olgen, en dan zal ik eindelijk mijn plan tot uitvoer kunnen brengen!’ Het was de stem van de landheer! ‘Kolonel Kololel, ik heb uw collega Harm de Vijfde opdracht gegeven het hele dorp uit te kammen, u geef ik de opdracht om met uw manschappen het Helsdieperwoud te doorzoeken. En zorg dat u die twee schavuiten vind. Hoe kan ik nu ooit iets bereiken als de bevolking mij totaal ongeloofwaardig vind overkomen? Ik moet Prostaatus en die jongen te pakken krijgen, ik heb de steun van de burgers nodig! Zoek zonodig als lang is! Ik stoek het zaken noot vier ze- excuseer ak pik even wat water.’ Harrie hoorde gerinkel en het geklots van water. ‘Dat is beter, ehum, ik staak het zoeken niet tot ze gevonden zijn.’ ‘Wat moeten we met ze doen als ze eenmaal gevangen zijn Sire?’vroeg Kololel. ’Breng ze hier, het liefst in leven, mocht dat niet lukken, dan breng ze maar dood, maar breng ze hier. Ik wil dat het volk mijn triomf kan zien!’ ’Jawel Sire’ Kololel salueerde kennelijk want Harrie hoorde metaal tegen metaal slaan. ’Ik ben meteen op weg.’ Hij floot en Harrie hoorde voetstappen, ‘Mannen, verzamel iedere wacht en ga naar het plein, binnen een uur wil ik kunnen beginnen met zoeken, en breng me taart!’ ‘Ja kolonel!’ Harrie hoorde de wachten wegrennen, en hij keerde zich weer naar Prostaatus. ‘Dit klikt als menens meneer’ ‘Ja Harrie, dit is de meest gemeende menens die ik tot nu toe heb gehoord van de Landheer.’ Prostaatus ging naast de Orofoon zitten, -Noot van de schrijver, de zin die nu volgt is heel erg voorspelbaar, excuses daarvoor- Prostaatus haalde diep adem en zei ‘We kunnen hier niet langer blijven.’ ‘Dat begrijp ik meneer’ waren de woorden waarmee Harrie II reageerde, ‘Maar waar moeten we dan naartoe?’ Prostaatus keek uit het raam, ‘We moeten bewijsmateriaal vinden tegen Stads Gek Harrie, maar dat gaat hier niet lukken. Weet je, Stads Gek en Dorps Gek hebben niet altijd in Helsdieperwaard gewoond. Ik kan het weten, want ondanks dat het gelovige jongens zijn -behalve Dorps Gek, want die is dood- heb ik ze niet gedoopt. We moeten te weten komen waar ze eerst hebben gewoond, misschien dat we daar iets vinden.’ ’Wat vinden meneer, Gek heeft die knapen hier vermoord!’ Prostaatus keek Harrie scheel aan en stak zijn tong uit, hij bood meteen zijn excuses aan en vervolgde ’ik denk niet dat dit zijn eerste slachtoffers waren Harrie, daarvoor gaat het hem veels te gemakkelijk af. Nee, hij heeft al vaker gemoord.’ Buiten klonk een bliksemschicht en Harrie schrok. Hij herstelde zich direct en vroeg ‘Wanneer wilt u vertrekken?’ ‘Het liefst nu meteen jongen, maar dat zal niet gaan.’ ‘Waarom niet’ vroeg de belhamel Harrie II, ‘Omdat ik net water op het vuur heb gezet, nooit of te nimmer zal ik mijn vroege thee overslaan!’ Maar het theedrinken nam slechts enkele uren in beslag en direct daarna begonnen ze met pakken. Harrie en Prostaatus namen alleen de broodnodige spullen mee, zoals het fornuis en de openhaard. Iets na twaalven vertrokken ze en lieten ze de kapel van Heilige Kees achter zich. Prostaatus had voorgesteld om eerst naar York te gaan, deze eeuwenoude stad had één van de meest uitgebreide bevolkingsregisters van het land, Prostaatus was er zeker van dat ze daar iets zouden vinden. Helsdieperwaard lag een stukje ten noord-westen van Sheffield, en het was ongeveer vijftig mijl van Helsdieperwaard naar York. Prostaatus had uitgerekend dat ze daar ongeveer een maand over zouden lopen. Het bleek echter drie maanden lopen te zijn aangezien ze meer dan eens verdwaalde en het fornuis toch wel zwaar bleek te zijn. Ook bleven ze langer dan gepland hangen in Doncaster omdat ze Harrie’s negende verjaardag heel uitgebreid moesten vieren, naar het schijnt. En zo kwamen ze dus op de eerste dag van het nieuwe jaar aan in een feestelijk York. Alhoewel feestelijk misschien niet de beste omschrijving is, de locale bevolking had kennelijk nogal te lijden gehad van de festiviteiten van oudejaarsavond, en de helft die niet te kotsen lag op straat, sliep nog steeds. Harrie II liep achter Prostaatus aan door de smerige straten van de stad. Hier en daar moest hij een spui kots ontwijken, maar om precies vier seconden en zestien minuten over twaalf kwamen ze aan bij het Bibliotheek… die gesloten bleek te zijn op één januari. Prostaatus en Harrie besloten na een kort maar hevig onderhoud om de rest van de dag maar in een herberg te spenderen. Prostaatus duwde de eikenhouten voordeur van herberg “De kreutsvaardel” open en liep naar de bar. Harrie II kon met moeite de zware deur ervan weerhouden hem te pletten, en rende direct naar Prostaatus die kennelijk al een dialoog gestart was met de waard. Harrie wilde net zelf ook een gesprek beginnen met de haard toen Prostaatus hem naar zich toetrok. ’Luister Harrie, onze kamer is de eerste deur links op de tweede verdieping, je mag van mij de stad in, maar ga niet te ver. Ook heb ik liever niet dat je met iemand praat, begrijp je? Ik weet niet hoeveel invloed de Landheer in deze contreien heeft.’ ’Dat is goed meneer, ik zal me gedeisd houden!’ Harrie II draaide zich om, liep naar de deur, maakte deze open, draaide zich weer om zodat hij kon zwaaien naar Prostaatus, en knalde frontaal tegen de deur op omdat deze tijdens het zwaaien weer dichtgevallen was. Hij trok zijn neus recht en schoof z’n kaak weer in de juiste positie, trok nogmaals de deur open en stapte naar buiten. Prostaatus keerde zich weer naar de herbergier, ‘U vroeg mij daarnet iets?’ ‘Ja beste man’ sprak de waard op ernstige toon, ‘u vertelde mij dat u een veilige schuilplaats zocht, nu, er is maar één reden waarom iemand zoiets zou vragen. Door wie wordt u gevolgd?’ ‘Op het moment door niemand hoop ik,’ antwoordde Prostaatus, ‘maar ik weet niet of ik er goed aan zou doen u te vertellen, wie weet wie er allemaal meeluistert.’ ‘Op het moment alleen de smid en de klokkenmaker,’ zei de waard, en Prostaatus volgde zijn vinger. Die bleek naar een muur te wijzen, dus hij ging verder met het gesprek. ‘Ik en de jongen worden gezocht door de landheer van Helsdieperwaard, een onsympathiek figuur, over het paard getild en egoïstisch. Hij verdenkt ons van moorden die we niet gepleegd hebben, maar we hebben nog geen kans gekregen om onze onschuld te kunnen bewijzen.’ De waard dacht na over de slechte schrijfstijl van dit gesprek, en vervolgde toen, ‘Voor zover als ik weet is er hier niemand naar jullie opzoek. Maar voor de zekerheid zou ik het zekere voor het onzeker nemen.’ ‘Dat klinkt logisch,’ antwoordde Prostaatus, en hij vroeg of de waard misschien iemand kende die Stads Gek heette. ‘Neen, nooit van gehoord, wel van Dorps Gek, die kwam hier altijd melkkroketten brengen. Heerlijke dingen waren dat, hem heb ik ook al een hele tijd niet meer gezien.’ ‘Dorpsgek is dood beste man, in een put gevallen…’ Prostaatus dacht terug aan zijn goede helper. Hij vroeg de waard, die zichtbaar aangeslagen was door dit nieuws om een glas melk. Ondertussen was Harrie II York aan het verkennen. Het bleek een vrij grote stad te zijn, zeker in vergelijking met Helsdieperwaard, altijd was er ergens wel iets aan de hand, en overal werden er dingen verhandeld en verkocht. De markt was vandaag niet zo groot als normaal, maar toch al groot genoeg om Harrie er de hele middag te laten doorbrengen. Allereerst bezocht hij verschillende kraampjes om te zien wat ze aanboden. Harrie merkte al snel dat dit geen gewone markt was, nee het was overduidelijk dit was een zwarte markt. Overal werden zwarte spullen verkocht in het geniep. De verkopers stonden dicht bij de klanten en niemand sprak hardop. Harrie had de hele middag rondgelopen om de markt, en wat hij had gezien verbaasde hem, helemaal achterdoor was een kraampje waar ze mobiele guillotines verkochten, en niet ver ernaast een kraampje met duimschroeven. Ook was er een kraam met bijzondere wapens. Harrie kon zijn ogen niet geloven, maar hij moest wel, want als je je eigen ogen al niet meer geloofd, hoe paranoïde kun je dan nog worden? Bij de bijzondere wapens lagen messen die bij elke steek ook een scheutje zout in de wond gooiden, en speren waarvan de kop uitklapte zodra je er mee stak, ook lagen er pijlen die besmet rattenbloed in de kop hadden zitten, en bezemstelen. Vooral de bezemstelen intrigeerde Harrie, hij wilde de verkoper er net naar vragen toen deze langs Harrie heenkeek, schrok, en de benen nam. Met de benen onder zijn arm rende de verkoper alsof de duivel hem op de hielen zat. Harrie keek in de richting die de verkoper zojuist angst aan had gejaagd en schrok zelf ook. Daar stond een heel leger van wachten te wachten op de verwachtte orders om de langverwachte aanval op de zwarte markt te beginnen. Harrie herkende de commandant die de verwachtte orders aan de wachtende wachten aan het geven was meteen. Harm de vijfde stond op de trappen voor de grote kathedraal van York en schreeuwde bevelen; ‘Wachtende wachten, doorzoek de hele markt, alles wat zwart is neem je in beslag en de eigenaren in hechtenis.’ ‘JAWEL COMMANDANT’ schreeuwde één van de wachten, ‘WE ZULLEN ALLES WAT ZWART IS HECHTEN EN ALLE EIGENAARDIGEN IN HET BESLAG DOEN! COMMANDANT!’ ‘Nee, ontzettende uilenbal dat je d‘r bent, alles wat zwart is neem je in beslag, oké, comprendre? En alle kraameigenaren neem je in hechtenis, ofwel die gooi je de cel in, begrepen?’ ‘JA COMMANDANT, BEGREPEN, ALLE ZWARTE OBECTEN NEMEN WE IN VERLAG EN ALLE KRAAMEIGENAREN GOOIEN WE IN HECHTENIS! COMMANDANT!’ ‘Nee, luister nu, je snapt het niet, oké, heel rustig,’ Harm haalde diep adem, ‘alle zwarte dingen, neem je mee, en alle winkeleigenaren die zwarte dingen verkopen gooi je in de cel, duidelijk?’ ‘JA COMMANDANT’
‘HOU OP MET SCHREEUWEN KLOOTVENTIEL, IK STA NET EEN HALVE METER VERDEROP!’ De wacht hield ogenblikkelijk zijn mond gesloten maar probeerde toch te praten, ’mwaah meneehp, wat mwoep ik dwan doehn?’ ’Gewoon rustig praten, net zoals ik dat doe, goed, heb je het nu begrepen?’ de wachtende wacht knikte, en Harm gebaarde dat ze aan de slag moesten gaan. Harrie keek ontzet toe hoe de wachten het plein ondersteboven keerde, ze hadden het bijna op de kop toen Harrie er vanaf viel. Hij tuimelde een zijstraat in en bleef daar even liggen. Toen stond hij op, er was geen seconde te verliezen, hij moest Prostaatus waarschuwen dat Harm in de stad was. Dit mocht dan wel een gewone controle zijn (wat Harrie al onwaarschijnlijk leek), maar als Harm of één van zijn wachten Harrie zag dan had hij een grandioos plobreem -Ah, neen, eenen probleem, amai zeg!- Harrie stond op en rende als de weerga naar de Kreutsvaardel. Prostaatus was net aan zijn vijfde glas melk bezig toen de weerga opeens binnen gestormd kwam. ’Hé weerga, wat doe jij hier?’ vroeg kuise Kees, de barman. ’Ik ben weerga niet, ik ben Harrie, ik rende alleen als de weerga!’ ’Ah, Harrie’ riep Prostaatus, ’kom eens hier jongen, vertel die oude Prostaatus eens, hoe was je dag?’ ’Meneer, heeft u weer gedronken?’ ’Alleen maar wat melk jongen, -hips-’ Harrie keek naar de barman, en de barman sprak; ’Sorrie jongen, ik had geen idee dat hij geen volle melk mocht hebben, het spijt me.’ Harrie liep naar Prostaatus, ’Meneer, luister naar me, Harm is in de stad!’ Prostaatus boerde en keek Harrie aan met één oog dicht. ’Luister jongen -hips-, ik ben dan wel bezopen, maar ik ben niet slim, -hips- ik weet best dat Harm niet in de stad is.’ Harrie keek om zich heen, er moest ergens iets zijn waarmee hij Prostaatus op kon lap- daar! Naast de sappen en de koeienurine, “Oude Ger’s Lijpe Borrel” dat had hij nodig. Hij sprong over de bar en greep de fles. Hij sloeg een whiskyfles doormidden sprong terug over twee mannen die spontaan in tranen uitbarstten omdat hij de laatste whiskyfles kapot had geslagen, en landde op de kruk tegenover Prostaatus. Hij stak de fles in Prostaatus’ keel, deze schreeuwde het uit, en Harrie besloot om de fles toch maar met de scherven naar boven te zetten. Hij goot Oude Ger’s Lijpe Borrel in de keel van Prostaatus en die proestte het uit. Wat hij precies uitproestte kon Harrie niet opmaken, maar na een paar seconden sprong Prostaatus op en riep hij; ‘Harm, Harm is in de stad, Harrie waar ben je?’ Harrie tikte hem op zijn schouder en Prostaatus draaide zich om, ‘Ah, daar ben je, en niet meer weglopen in het vervolg, oké!’ Prostaatus sprong op de bar en schreeuwde tegen de glazen. Hij slingerde aan de lamp naar de voordeur van de Kreutsvaardel. Daar draaide hij zich om en riep, ’Kom Harrie, we moeten naar het register voor het te laat is. Harrie sprong over twee tafels heen, deed een koprol onder een plint door en maakte een salto over het plafond. Hij lande naast Prostaatus en zei, ‘Naar het register, en daar voorbij!’ Prostaatus hield de deur open, en Harrie ging met handstanden naar buiten. Prostaatus riep ‘Bedankt voor de Lijpe Borrel Kees,’ en dook met een snoekduik de straat op. Ze renden, sprongen, doken, vielen, stonden weer op, en gingen door tot ze bij de Grote Bibliotheek aankwamen. ‘Meneer, hij is op slot hoor’ zei Harrie, ‘Net zoals vanmorgen ook al het geval was.’ ‘Niet zo betweterig Harrie, ik zal deze deur wel eens eventjes openen.’ Prostaatus stroopte zijn gewaad op, een verkeerde keuze, hij moest er namelijk nog lang in lopen, en nu plakte het verschrikkelijk. Desalniettemin pakte hij het gietijzeren bord waar ‘gesloten’ op stond, en smeed hij het door de voordeur van de Bibliotheek heen. ‘Ik moest kloppen want de bel deed het niet!’ Prostaatus grinnikte om zijn oneliner en stapte de Bibliotheek binnen. Harrie vond het maar een stomme grap, maar liep toch de Bibliotheek binnen, achter Prostaatus aan. Eenmaal binnen wilde Prostaatus de deur weer sluiten, echter deze lag verspreid over de vloer als een vaas uit de Ming Dynastie die door een kolenmijn heen gegooid wordt. Maar gelukkig had Harrie op school zijn lessen ‘hoe maak ik lijm van ongewone objecten’ goed gevolgd, en met de stroop van Prostaatus zijn mouwen plakte ze de deur terug in het kozijn. Prostaatus prees Harrie zijn vindingrijkheid, en Harrie prees Prostaatus’ vermogen om deuren aan gort te slaan. Ze sloten de deur zorgvuldig en liepen over de marmeren vloer naar de bevolkingszaken afdeling. Prostaatus haalde weer een fakkel uit zijn oksel en Harrie stak hem aan met behulp van een teennagel, twee boekenleggers en een doosje lucifers. Prostaatus ging voorop, en sloop voorzichtig het bevolkingsregister binnen. Dit bevond zich op de bovenste verdieping in de koepel van de Bibliotheek -Noot van de schrijver, als u zich afvraagt waarom bibliotheek met een hoofdletter wordt geschreven hebt u te goed opgelet op school- Deze bestond uit een wenteltrap in het midden, waar de boekenkasten spiraalsgewijs omheen gezet waren. Als je dus de laatste kast moest hebben, moest je eerst langs alle andere kasten lopen. Prostaatus liep de kasten langs, hij mompelde in zichzelf en weldra had Harrie hem uit het zicht verloren. Opeens hoorde hij Prostaatus schreeuwen, ‘Eureka, ik heb hem gevonden Harrie, de hele Familie Gek staat erin.’ Harrie holde naar Prostaatus toe, deze wees hem de pagina aan waar de Familie Gek op stond. ‘Hier staat dat de familie Gek uit Frankrijk komt, uit een klein dorpje in de buurt van La Rochelle, geef me eens wat papier en een pen Harrie.’ Harrie rende terug naar de wenteltrap om pen en papier te halen toen hij stemmen hoorde. Hij keek naar benee en zag duidelijk de vlammen van de toorts van iemand die de trap op gerend kwam. Hij rende terug naar Prostaatus maar deze was nergens te bekennen, opeens werd hij van achteren vastgegrepen, Prostaatus fluisterde in zijn oor ‘stil, kom mee, hierheen. Het zijn de wachten van Harm.’ Ze hadden zich net verstopt in één van de archiefkasten die tegen de buitenmuren van de koepel stonden toen de drie wachten oprezen uit het gat van de wenteltrap. Ze zochten overal, hier en daar boekenkasten omgooiend, maar konden niets vinden. Één van de wachten riep ‘We hebben meer licht nodig, zo vinden we ze nooit!’ ‘Wacht hier’ riep de tweede wacht en Harrie en Prostaatus hoorde hem de trap afrennen. Even was het stil, en toen ging de hele koepel open. Als een roos in de bloei vouwde de dakdelen zich naar buiten, en de zon scheen fel naar binnen. En toen zag Harrie hem, de Landheer kwam omhoog gestegen uit het trapgat, hij keek rond en sprak tegen de wacht; ‘Haal alles overhoop, ze zijn hier, ik weet het zeker.’ Één voor één werden de kasten opengetrokken. Harrie zag de landheer op hun kast afkomen, zijn armen reikten naar de handvaten. Maar nog voor hij deze had vast gepakt vloog de kastdeur al open, Prostaatus en Harrie hadden tegelijk tegen de deuren getrapt, de Landheer vloog achteruit tegen een boekenkast op. Harrie klom op de archiefkast en hielp Prostaatus er ook op te klimmen. Ze klommen van de kast over één van de dakdelen naar het platte dak van de Bibliotheek, Harrie rende voorop en bleef plots staan bij de rand van het gebouw, Prostaatus bleef echter niet staan en liep met een klap tegen Harrie op, deze verloor hierdoor zijn evenwicht en viel over de rand, hij greep nog net Prostaatus zijn gewaad. Maar in tegenstelling tot wat hij gehoopt had betekende dit niet dat hij nu niet meer zou vallen. Helaas, Prostaatus werd door de ruk aan zijn enkels ook meegesleurd, en zo vielen ze beiden van de rand van het dak van de Bibliotheek. Harrie had geen enkele gedachten meer in zijn hoofd zitten, en toen kwam de klap.